Calvijn lezen vanuit het standpunt van de vluchtelingen

Door Emery Jones

Wie Calvijn niet leest vanuit het standpunt van de vluchteling die door corrupte overheden een precair leven opgedrongen kreeg, die leest Calvijn gegarandeerd fundamenteel verkeerd. Alleen door hem vanuit de positie van een onderdrukte te lezen, kunnen we Calvijn en zijn theologie begrijpen als een orthodoxe christelijke leer. Calvinisme is de theologie van zij die midden hun onderdrukking worstelen om de fundamentele goedheid te zien van de cosmos die God geschapen heeft.

De leer van de totale verdorvenheid verwordt zelf tot hetgeen ze benoemt, wanneer ze voor iets anders wordt ingeroepen dan voor het veroordelen van de omstandigheden waarin de armen en onderdrukten moeten leven. Die leer veroordeelt de politieke overheden en hun geweld dat mensen wegjaagt uit hun huizen en uit de levens die God Zelf voor hen wilde garanderen. Het is een veroordeling van de economische systemen die de armen naar sloppenwijken verbannen. Het is een veroordeling van de verschrikkingen van het lynchen. En het is een veroordeling van alle andere zonden die bijdragen aan een wereld waarin dit kwaad zelfs maar voorstelbaar is, laat staan dagdagelijkse realiteit.

De leer van onvoorwaardelijke verkiezing toont hoe God de hele vraag zelf verwerpt of iemand al dan niet waardig zou zijn om gered te worden van het kwaad dat ons omringt. God redt ons onvoorwaardelijk omdat god ons onvoorwaardelijk liefheeft. God houdt niet van ons omdat we rijk of machtig zijn of omdat we hard werken of intellectueel zijn of veel bereikt hebben in het leven. God houdt van ons omdat Hij, die onze Goede Vader is, gewoon niet kan ophouden met van ons te houden. Niet omwille van wat we gedaan hebben, maar simpelweg omwille van wie we zijn.

De leer van onweerstaanbare genade toont de hoop dat God ons nooit zal verlaten of verraden. God zal ons nooit alleen achterlaten in deze zondige wereld, maar schept, zelfs nu te midden van ons lijden, een wereld waarin we zullen kunnen bloeien en leven zoals God het voor ons heeft gewenst. God wil dat wij, gewoon zoals wij zijn, kunnen schitteren en licht kunnen brengen in de duisternis van de wereld. God wil dat wij kunnen beseffen waarom we leven en ademen, dat wij onze ziel kunnen vervullen. Het is God die de onmeetbare schoonheid ziet in ons, in diegenen die deze wereld veracht en verworpen heeft.

De leer van het volharden van de heiligen is een leer die alleen maar correct begrepen kan worden als Gods eigen protest tegen de ellende waartoe deze wereld de armen en de onderdrukten veroordeelt. Zij werden geroepen om voor eeuwig Gods eigen volk te zijn en God zal zich voor hun belangen inzetten en van al wie hen van het leven wil beroven, zelf het eigen leven wegnemen, zoals we lezen in het boek Spreuken. En ook al wordt vandaag het huis, de cultuur en het leven zelf gestolen van zovelen, Gods belofte van een eeuwige thuis bij Hem is onherroepbaar.

De leer van de predistinatie drukt de hoop uit dat God nog steeds de controle heeft en alles weer goed zal maken. Het is het enige waaraan wij ons kunnen vasthouden wanneer het leven voor ons te onzeker wordt. Het is de zoete belofte van Christus die ons geroepen heeft, gedoopt en opgetekend als voor eeuwig de Zijne.

Dit is het standpunt van waaruit Calvijn aan theologie deed. Hij probeerde om de bekommernissen van de vluchtelingen ter harte te nemen. Wanneer we dat standpunt verlaten, wanneer we Calvijn reduceren tot een aantal logische stellingen die losgemaakt zijn van die context, dan slaan we de bal volledig mis. Dan missen we volledig wat Calvijn probeerde te doen en verdraaien we zijn theologie tot iets kwaadaardigs en pervers.

Nationalisme in de Tenach

(Fragment uit het boek “Gij zult zijn als Goden” van Erich Fromm,
p. 62-65 in de Nederlandse vertaling van uitgeverij Bijleveld, Utrecht, 1975)

De idee, dat de mens geschapen is naar Gods beeld, leidt niet alleen tot het concept, dat de mens gelijk is aan God of zelfs vrij van God, maar ook tot de centrale humanistische overtuiging, dat iedere mens de gehele mensheid in zich draagt.

Op het eerste gezicht lijkt het echter, alsof de opvattingen van de Bijbel en de latere joodse traditie door en door nationalistisch zijn en er een scherpe scheiding gemaakt wordt tussen de Israëlieten en de rest van de mensheid, zowel wat betreft hun wezen als wat betreft hun bestemming. Is Israël niet “het uitverkoren volk”, Gods lievelingszoon, uitmuntend boven alle volkeren? Komen er in de Talmoed niet vele nationalistische en xenofobische passages voor? Zijn de joden in de loop van hun geschiedenis niet vaak zeer nationalistisch geweest, hebben zij niet dikwijls de neiging gehad zich boven de niet-joden verheven te voelen en een grote mate van chauvinisme en clangeest aan de dag gelegd? Niemand zal dit kunnen ontkennen en het is overbodig er bewijzen voor aan te voeren. Een van de wezenlijke kenmerken van het paulinische en latere christendom is dan ook, dat het zich van elk nationalisme bevrijdde en een “katholieke” kerk stichtte, die alle mensen, ongeacht hun nationaliteit of afkomst, omvatte.

Als wij deze nationalistische houding onderzoeken, zij wij aanvankelijk geneigd haar te verontschuldigen door haar te verklaren. In de eerste stadia van zijn geschiedenis was Israël slechts een kleine stam, die voortdurend in oorlog was met andere stammen en volken en onder dergelijke omstandigheden kunnen wij nauwelijks verwachten internationalistische en universalistische ideeën aan te treffen. Na de zevende eeuw v.Chr. is de geschiedenis van de joden er een van een klein volk, in zijn bestaan bedreigd door grote mogendheden, die het trachten te veroveren en te knechten. Eerst wordt hun land bezet door de Babyloniërs, waarbij velen gedwongen worden hun land te verlaten en zich in dat van de veroveraar te vestigen. Enkele eeuwen later vallen de Romeinen Palestina binnen, de Tempel wordt verwoest, vele joden worden gedood of gevangen genomen en tot slaaf gemaakt en zelfs het uitoefenen van hun religie wordt hun op straffe des doods verboden. Nog weer later, gedurende al de eeuwen van hun ballingschap, zijn de joden vervolgd, gediscrimineerd, gedood en vernederd door de kruisvaarders, de Spanjaarden, de Oekraïeners, de Russen en de Polen, en in onze eeuw werd meer dan een derde van hen vernietigd door de nazi’s. De gunstige perioden onder islamitische heerschappij buiten beschouwing gelaten, zijn de joden altijd, zelfs onder de beste christelijke heersers, als minderwaardig beschouwd en werden zij gedwongen in getto’s te leven. Is het verwonderlijk dat zij een haat tegen hun onderdrukkers gingen koesteren en ter compensatie van de reeds voortdurende vernederingen een sterke nationalistische trots en clangeest ontwikkelen? Maar niettemin, al deze omstandigheden kunnen het bestaan van het joodse nationalisme slechts verklaren, zij kunnen het niet rechtvaardigen.

Men dient hierbij echter te bedenken, dat de nationalistische instelling weliswaar één element in de bijbelse en later joodse traditie vormt, maar dat zij in evenwicht gehouden wordt door precies het tegenovergestelde principe: dat van het universalisme.

De idee van de eenheid van het menselijk geslacht komt als eerste tot uitdrukking in het verhaal van de schepping van de mens. Eén man en één vrouw worden er geschapen om de voorouders te zijn van het gehele mensengeslacht – meer in het bijzonder van de drie grote groepen, waarin de bijbelse traditie de mensheid verdeelt: de afstammelingen van Sem, Cham en Jafeth (de zonen van Noach). De tweede uitdrukking van de universaliteit van het menselijk geslacht vinden wij in Gods verbondmet Noach. Dit verbond wordt gesloten vóór dat met Abraham, de stamvader van Israël. Het is een verbond met het hele mensengeslacht en met het dierenrijk, waarin de belogte wordt gegeven dat God nooit meer het leven op aarde zal vernietigen. De eerste maal dat een mens tegen God in verzet komt door van hem te eisen, dat hij het principe der gerechtigheid niet zal schenden, gebeurt dat terwille van de niet-israëlitische steden Sodom en Gomorra, niet ten behoeve van de Israëlieten. De Bijbel gebiedt liefde voor de vreemdeling (de niet-Israëliet) – niet alleen voor de naaste – en verklaart dit gebod met de woorden “want gij zijt vreemdelingen geweest in het land Egypte” (Deut. 10:19). Zelfs ten aanzien van de traditionele vijanden, de Edomieten, wordt gezegd: “De Edomiet zult gij niet verafschuwen, want hij is uw broeder.” (Deut. 23:7).

Het universalisme bereikt zijn hoogtepunt in de profetische literatuur. Hoewel er in een aantal profetische redevoeringen nog wordt vastgehouden aan aan het idee, dat Israël als leraar en geestelijk voorbeeld verheven is boven de heidenen, vinden wij ook andere uitspraken, waarin de kinderen Israëls niet langer de rol van Gods speciale gunstelingen spelen.

De idee van de eenheid van het menselijk geslacht vindt haar voortzetting in de farizeese literatuur, in het bijzonder in de Talmoed. Ik noemde reeds het concept van de Noachieten en van de “vromen onder de volkeren”. – Van de vele andere talmoedische uitspraken die uitdrukking geven aan de geest van universalisme en humanisme, volgen hier enkele voorbeelden:

“Er wordt geleerd: Rabbi Meir placht te zeggen: ‘het stof van de eerste mens werd bijeengebracht uit alle delen van de wereld’… Rav Osjaja zei in de naam van Rav: ‘Adams romp kwam uit Babylon, zijn hoofd uit Israël, zijn ledematen uit de andere landen en zijn geslachtsdelen – volgens Rav Acha – uit Akra di Agma’ “ (Talmoed Sanhedrin 38 a,b). Ook al wordt in de uitspraak van Rav Osjaja het land Israël aangewezen als dat deel van de wereld, dat de grondstof geleverd heeft voor het meest edele deel van de mens, zijn hoofd, toch verandert deze kwalificatie niets wezenlijks aan de eerste, meer algemene, uitspraak, dat het lichaam van de mens gemaakt is van het stof uit alle delen van de aarde, d.w.z. dat Adam de gehele mensheid vertegenwoordigt.

Een soortgelijke gedachte komt tot uitdrukking in een passage in de Misjna betreffende de wetsbepaling dat bij de berechting van een halsmisdaad de getuigen à charge onderworpen moeten worden aan een intimidatie-procedure (“men intimideert hen”), opdat zij geen vals getuigenis zouden afleggen tegen de beschuldigde. In deze procedure wordt de getuigen verteld, wat het betekent als ten gevolge van hun getuigenis iemand terechtgesteld zou worden. “Hierom”, wordt hun voorgehouden, “is er slechts één enkele mens geschapen, om u te leren, dat al iemand één enkele ziel uit Israël te gronde richt, de Schrift hem dat aanrekent alsof hij een gehele wereld te gronde gericht had. En als iemand één enkele ziel uit Israël redt, wordt dat beschouwd alsof hij de hele wereld gered had” (Misjna Sanhedrin IV, 5).

Een ander talmoedisch verhaal heeft dezelfde strekking: “Op dat uur [toen de Egyptenaren in de Rode Zee ten onder gingen] wilden de dienstengelen voor de Heilige, gezegend zij Hij, een [lof-]lied zingen; maar Hij wees hen terecht met de woorden: ‘Het werk Mijner handen [de Egyptenaren] verdrinkt in de zee en jullie willen een lied voor mij zingen!?’ ” (Talmoed Sanhedrin 39b).

In de perioden van vervolging, wanneer de joden door de Romeinen of de christenen verdrukt en vernederd werden, was de nationalistische en xenofobische tendens vaak sterker dan de universalitstische. Maar zolang de profetische onderwijzing levend bleef, kon de idee va n de eenheid van het menselijk geslacht nooit vergeten worden. Overal waar de joden de gelegenheid hadden om de enge grenzen van hun gettobestaan te overschrijden, vinden wij uitingen van deze universalistische geest. Zij versmolten hun eigen traditie met die van de toonaangevende humanistische denkers uit de hen omringende wereld, maar dat niet alleen: toen in de negentiende eeuw de politieke en sociale barrières afgebroken werden, behoorden de joodse denkers tot de meest radicale vertegenwoordigers van het internationalisme en de humanistische idee. Na tweeduizend jaar kwamen het universalisme en humanisme van de profeten opnieuw tot bloei in de gestalten van duizenden joodse filosofen, socialisten en internationalisten, van wie velen geen persoonlijke band met het jodendom meer hadden.

p { margin-bottom: 0.25cm; line-height: 120%; }

Het verhaal van de profeet Loet in Koran en Ahadith

Om de precieze betekenis van het verhaal van Loet (alaihi salaam) te kennen, mogen we ons niet tevreden stellen met de paar citaten die we te pas en te onpas naar onze kop geslingerd krijgen. Het is een verhaal met een duidelijke ethische boodschap, die ook vandaag nog meer dan relevant is. Om die boodschap te kunnen begrijpen, moeten we echter de hele context van die paar geïsoleerde citaten reconstrueren. We moeten het hele verhaal leren kennen.

Een gruweldaad die niemand ter wereld ooit eerder heeft begaan

De misdaden van het volk van Loet waren vreselijk. Ze waren erg genoeg om heel het volk in een gruwelijke regen van stenen en zwavel te vernietigen. We lezen in de Koran zelfs dat Loet deze misdaden veroordeelt als “gruweldaden die niemand ter wereld ooit eerder heeft begaan”. Dat moet wel heel gruwelijk zijn.
Wat zijn die misdaden dan wel? Kan het echt zijn dat Loet met deze gruweldaden verwijst naar homoseksualiteit? Is liefde tussen mensen met hetzelfde gender dan echt zo’n uniek fenomeen in de natuur dat niemand ter wereld het ooit eerder heeft gedaan? Is seks tussen twee mannen of twee vrouwen dan echt zo’n verschrikkelijke misdaad dat God die bestraft met het vernietigen van een heel volk?
Men gaat ervan uit dat het verhaal van de profeet Loet zich afspeelt tussen 2000 vC en 1500 vC. Uit archeologische vondsten blijkt echter dat homoseksualiteit al veel langer bestaat dan dat. Zowel in het oude Egypte als in Mesopotamië zijn er duidelijke bewijzen gevonden dat homoseksualiteit er zeker al veel langer bekend was dan 2000 vC. Waarschijnlijk hebben er altijd homoseksuele mensen bestaan.
Mensen zijn trouwens niet de enige levende wezens bij wie homoseksuele relaties voorkomen. Biologen konden homoseksueel gedrag ontdekken bij meer dan 450 verschillende diersoorten. Bij elk van die diersoorten blijken vijf à tien procent van de mannetjes alleen met andere mannetjes te willen paren. Ongeveer evenveel vrouwtjes willen alleen met andere wijfjes seks hebben. Bij de bonobo-apen, de soort die samen met de chimpansees het meest aan de mens verwant is, komt homoseksualiteit zelfs nog veel frequenter voor. Voor bonobo’s is seks een activiteit waarmee conflicten worden bijgelegd en waarmee sociale banden worden versterkt. Meer dan de helft van de seksuele contacten in een bonobo-gemeenschap verlopen tussen twee of meerdere wijfjes.
Homoseksualiteit is dus zeker niet iets dat in de tijd van de profeet Loet voor het eerst voorkwam. Het is iets dat minstens even oud is als de mensheid zelf, misschien wel even oud als seksualiteit op zich. Wie beweert dat het voor het eerst voorkwam bij het volk van Loet, die kent de geschiedenis van de schepping duidelijk niet. Als God ervoor kiest om het volk van Loet te veroordelen en te straffen voor gruweldaden die niemand ter wereld ooit eerder heeft begaan, dan is het onmogelijk dat met die gruweldaden homoseksualiteit wordt bedoeld.
Welke misdaden worden dan wel bestraft? Tegen welke gruweldaden komt de profeet Loet dan wel in opstand? Welke praktijken kunnen zo gruwelijk zijn dat God er een heel volk voor vernietigd? Welke activiteiten zijn zo gruwelijk dat niemand ter wereld ze ooit eerder heeft begaan?
Volgens de Koran beschuldigt Loet zijn volk van verschillende misdaden. Hij zegt dat ze de mannen die hem komen bezoeken willen gevangennemen en verkrachten, dat ze reizigers overvallen op hun reisweg en dat ze zelfs in hun openbare bijeenkomsten gruweldaden begaan. Maar ook dat zijn allemaal misdaden die al veel langer bestonden. Vrijheidsberoving, verkrachting, overvallen met geweld en moord… dit zijn allemaal misdaden die helaas al minstens even oud zijn als de mensheid zelf.
Wat kan het dan zijn dat zo gruwelijk was dat het nooit eerder voorgekomen is in de geschiedenis? Wanneer we het verhaal van Loet en zijn volk grondig bestuderen en onderzoeken wat de profeten erover te zeggen hebben, wordt stilaan duidelijk dat het niet om één specifieke misdaad ging, maar over een heel kluwen van gruweldaden. De profeet Loet beschuldigde hen ervan dat zij uit hebzucht en machtswellust een misdadig systeem hadden doen ontstaan, een systeem dat gevangenschap, foltering, verkrachting, roof en moord gebruikte om de macht en de rijkdom te beschermen van de mannen uit zijn volk.

Het verhaal in de Koran

Laten we beginnen met het verhaal van Loet te onderzoeken zoals het in de Heilige Koran beschreven staat. Voor we dat kunnen doen, moeten we echter eerst een puzzel oplossen. Het verhaal over deze profeet en over zijn misdadige volk, staat namelijk verspreid over het hele boek. Overal vinden we fragmenten die we, als puzzelstukken, weer in mekaar moeten passen. Pas dan wordt stilaan de echte betekenis van het verhaal duidelijk.
We kunnen die puzzelstukken, die verschillende Koran-fragmenten over de profeet Loet en zijn volk in de volgende categorieën indelen:
1. Waarschuwing
Oproep om het verhaal van de profeet loet te herdenken en om er lessen uit te trekken.
Voorbeeld: En je loopt hen zeker ‘s morgens voorbij. en ‘s avonds ook. Wil je het dan niet begrijpen? (37:137-138)
Verzen: 6:68, 15:75-77, 22:43-46, 26:176-175, 29:26, 37:137-138, 38:13, 50:13, 66:10
2. Samenvatting
Een korte samenvatting van het hele verhaal, in een paar korte zinnen, zonder veel details.
Voorbeeld: En Lot was zeker ook een boodschapper. Wij hebben toen hem en heel zijn familie gered, behalve zijn vrouw die achterbleef. En We vernietigden de anderen. (37:133-136)
Verzen: 21:74-75, 37:133-137
3. Ibrahim (alaihi salaam)
Inleiding van het verhaal, de boodschappers bezoeken eerst Ibrahim, de neef van Loet, en kondigen daar hun missie aan.
Voorbeeld: En vertel hen over Abrahams gasten. Toen ze bij hem binnen kwamen, zeiden ze “Vrede.” (…) Hij vroeg hen: “Boodschappers, wat brengt jullie hier?” Ze antwoordden: “Wij zijn naar een schuldig volk gestuurd. Maar maak je geen zorgen over de familie van Lot. We zullen hen allen redden.” Behalve zijn vrouw, wij hebben gezorgd dat zij daar zal achterblijven. (15:51-60)
Verzen: 11:69-76, 15:51-60, 29:31-32, 51:24-37
4. Aankomst
De boodschappers komen aan bij Loet (as) en leggen hun missie uit.
Voorbeeld: Toen de boodschappers bij de familie van Lot kwamen, zei hij: “Voorwaar, jullie zijn een groep vreemdelingen.” Zij zeiden: “Nee, wij zijn hierheen gekomen met dat waarover zij twijfelden. En het is de waarheid die we brengen, heel zeker, wij spreken de waarheid. Ga daarom vannacht met je familie weg en volg hen. En laat niemand van jullie omkijken en ga daar naartoe waar je gestuurd wordt.” (15:61-65)
Verzen: 11:77, 15:61-66, 29:33-35
5. Aanranding
Het volk wil de boodschappers gevangen nemen en verkrachten.
Voorbeeld: Zijn volk kwam haastig naar hem toe. Vroeger hadden ze al vaak kwaad gedaan. Hij zei: “Mensen, hier zijn mijn dochters, zij zijn zuiverder voor u. Vrees God en onteer mij niet tegenover mijn gasten. Is er dan niet één weldenkend man bij jullie?” Zij antwoordden: “Jij weet goed genoeg dat wij jouw dochters niet nodig hebben. En je weet al even goed wat we dan wel willen.” zei: “Ach had ik de kracht maar om me te verweren, of werd ik maar beschermd door een machtige helper.” (11:77-79)
Verzen: 11:78-81, 15:67-71
6. Beschuldiging
Loet beschuldigt het volk van onmenselijke misdaden, waaronder kidnapping en verkrachting van reizigers.
Voorbeeld: En toen Lot tot zijn volk zei: “Jullie verrichten een gruweldaad die niemand ter wereld ooit vóór u heeft begaan. Jullie benaderen die mannen en roven op de weg, en begaan zelfs gruweldaden in jullie bijeenkomsten.” (29:28-29)
Verzen: 7:80-81, 26:160-169, 27:54-55, 29:28-30, 54:36-37
7. Reactie
Het volk reageert door Loet weg te jagen.
Voorbeeld: Maar het antwoord van zijn volk was alleen: “Jaag hen weg uit de stad, want dat zijn mannen die zuiver willen blijven.” (7:82)
Verzen: 7:82, 26:167, 27:56, 29:29
8. Straf en Redding
Allah straft het volk van Loet door de stad te vernielen. Loet en zijn familie (behalve zijn vrouw) worden gered.
Voorbeeld: En Wij stuurden een storm van stenen over hen allen. Alleen de familie van Lot hebben We in de vroege ochtend gered. (…) en We zeiden : “Onderga nu Mijn straf en Mijn waarschuwing.” En ‘s ochtends vroeg kwam er een blijvende straf over hen. “Onderga nu Mijn straf en Mijn waarschuwing.” (54:34-39)
Verzen: 7:83-84, 11:82-83, 15:72-74, 26:170-173, 27:57-8, 54:34-39
Het verhaal uit de Koran kan dus als volgt worden samengevat:
De boodschappers komen bij Abraham om het doel van hun missie aan te kondigen (3) en vertrekken daarna naar zijn neef Loet, aan wie ze ook het doel van hun missie uiteenzetten (4). Het volk van Loet wil die boodschappers echter gevangennemen en verkrachten zoals ze dat al jaren doen met reizigers die door hun stad passeren (5). Loet wil de boodschappers, zijn gasten, beschermen en beschuldigt het volk van machtsmisbruik en verkrachting (6), maar het volk reageert door Loet te bedreigen, hem weg te jagen en te eisen dat hij zijn gasten toch aan hen overlevert (7). In de nacht vluchten Loet en zijn familie weg, waarna Allah het volk in de stad straft voor hun misdaden (8).
De misdaad van het volk van Loet is dus niet hun vermeende homoseksualiteit. Ze worden gestraft omwille van duidelijke seksueel geweld dat ze tegen de boodschappers, de gasten van de profeet Loet, wilden gebruiken.

De context in de ahadith

Om echter te snappen hoe ze uiteindelijk tot dat soort gruweldaden in staat waren, moeten we ook buiten de Koran op zoek gaan naar bronnen die ons meer context kunnen bieden.
Een Hadith die werd overgeleverd door Abu Jafar en in zijn Qisas al Anbiya opgetekend door al-Rawandi schetst een ruimere context van dit verhaal door te wijzen op een hadith waarin de Profeet Mohammed aan Jibril vraagt waarom het volk van Loet precies werd vernietigd. Jibril antwoordt dat dit een volk was dat zichzelf niet wilde zuiveren, zij zuiverden zich niet nadat ze seksueel verkeer hadden gehad. Ze waren ook gierig en weigerden om hun voedsel met anderen te delen. Loet verbleef dertig jaar in hun midden. Hij leefde bij hen, maar werd zelf niet als hen. Loet hield zich aan de geboden van Allah en bleef hen waarschuwen, want hij was als Profeet naar hen gezonden, maar zij hebben in al die tijd nooit naar hem willen luisteren.
Een andere Hadith, die ook door al-Rawandi wordt geciteerd, geeft nog meer uitleg. Hij citeert de Profeet Mohammed die uitleg geeft bij het Koran-vers

وَمَن يُوقَ شُحَّ نَفْسِهِ فَأُولَٰئِكَ هُمُ الْمُفْلِحُونَ
(En zij die beschermd zijn tegen hebzucht van hun ego,
zij zullen succesvol zijn – 59:9)

“Ik zal jullie vertellen over de gevolgen van hebzucht. Het volk van Loet waren bewoners van een stad die weigerde om voedsel te delen met anderen. Hun hebzucht werd op den duur een ongeneeslijke ziekte die ook hun geslachtsdelen infecteerde. Hun stad was gelegen op de grote karavaanweg tussen Syrië en Egypte, dus karavanen en reizigers hielden er vaak halt en verbleven er dan als hun gasten. Dit gebeurde steeds vaker en de mensen van de stad waren bang dat hun voedselvoorraden erdoor uitgeput zouden worden. Ze werden bezorgd en kwaad. Hun hebzucht en hun gierigheid waren zo dwingend, dat ze wel moesten gehoorzamen, tot op het punt dat ze alle vreemdelingen die halt hielden en om gastvrijheid vroegen, begonnen te verkrachten (fadahahu) zonder dat ze zich seksueel tot hen aangetrokken worden, alleen om hen te vernederen. Ze bleven dit gedrag volhouden tot ze op den duur zelf op zoek gingen naar mannen om die met geweld aan te randen.”
Ook Ali ibn Hamza al-Kisa’i geeft in zijn Bad’ al-Khalq wa Qisas al-Anbiya een uitgebreidere versie van het verhaal, waarbij nog meer context wordt geboden:
“Er waren vijf steden die bekend stonden als de “Steden van de Vlakte” en de belangrijkste werd “Sodom” genoemd. Elk van die steden was omringd door hoge muren van ijzer en lood en ze werden allemaal bewoond door duizenden inwoners. De heerser over die regio droeg de naam “Sodom ibn Khariq” en was afkomstig uit de familie van Nimrod. De mensen uit de regio waren beter in het bedriegen dan wie dan ook. Ze waren ook zeer bekwaam in het kleiduivenschieten. Ze waren berucht voor hun zonden, zoals klappen in hun handen (om boze geesten te verdrijven), spelen en gokken met duiven, hanengevechten, gokken met tandenstokers en hondengevechten. Ze aanbaden ook stenen beelden. Hun heerser had overdonderende tempels gebouwd voor die afgodsbeelden, die met heel veel zorg versierd waren. De afgodsbeelden kregen zelfs speciale gedecoreerde tronen.
De mensen van die steden maakten grote siertuinen, maar ze maakten ze binnen de omheining van hun huizen om ze aan het zicht van het publiek te onttrekken. In die private tuinen genoten ze van de rust en de schoonheid. Ze amuseerden zich r en maakten plezier.
Toen kwam er een hongersnood over het land. Iblis maakte misbruik van die situatie en kwam in hun midden. Hij zei: “Deze hongersnood is ontstaan omdat jullie wel jullie tuinen geprivatiseerd hebben, maar niet jullie boomgaarden buiten jullie huizen!” Ze hadden namelijk niet alleen hun siertuinen die binnen de omheining van hun huizen aan het zicht van het publiek onttrokken waren, maar ook grote moestuinen en boomgaarden buiten hun huizen, die voor iedereen toegankelijk waren. Reizigers die daar passeerden, konden in die tuinen en boomgaarden halt houden, er rusten en er voedsel vinden.
Dus vroegen de mensen aan de Verleider: “Hoe kunnen we ons beschermen tegen die vreemdelingen en die reizigers? Hoe kunnen we voorkomen dat ze nog langer in onze openbare tuinen en boomgaarden komen?” Iblis antwoordde: “Maak er een gewoonte van om de vreemdelingen die jullie tuinen binnendringen gevangen te nemen, hen te verkrachten en hun bezittingen te stelen. Als jullie dat doen, dan zal niemand nog durven halt houden bij jullie tuinen. Geen vreemdeling zal er nog binnen durven gaan en er proberen uit te rusten.”
Toen ze dit hoorden, gingen de mensen buiten de muren van de stad op zoek naar mensen die ze konden aanranden (yafjuruna bihi). Op dat moment verscheen Iblis voor hen in de gedaante van een jonge, aantrekkelijke en goed geklede man. De mensen overmeesterden hem, stalen al zijn bezittingen en verkrachtten hem. Na afloop waren ze er allemaal van overtuigd dat dit een goed plan was. Het werd een gewoonte voor hen om iedere vreemdeling die door hun regio trok op die manier te behandelen. Ze gingen er steeds verder in.”
In Hayat Al-Qulub van de zestiende-eeuwse Perzische geleerde Allamah Muhammad Baqir Majlisi lezen we deze versie van het verhaal:
“Ibrahim nodigde de mensen die daar passeerden uit tot Overgave. Ibrahim was toen reeds een bekende persoon en de mensen wisten dat Nimrod geprobeerd had om hem te verbranden, maar dat dit niet was gelukt. Wanneer de mensen hem dus bezochten, onderhield hij hen in zijn woonplaats. Hij woonde zeven mijlen ver van de dichtbevolkte steden. Die steden hadden heel vruchtbare tuinen en boomgaarden. Mensen die door die steden passeerden, waren gewend om wat van die vruchten te plukken om op te eten. De bewoners vonden dat vervelend en zochten een manier om dat tegen te gaan.
Op een dag kwam Satan bij hen in de vorm van een oude man en zei hij dat hij hen een manier kon leren om te maken dat geen enkele reiziger hun stad nog zou durven benaderen. “Wat is die manier?” vroegen de mensen. Satan antwoordde: “Telkens wanneer iemand door jullie stad passeert, moeten jullie hem anaal verkrachten en zijn bezittingen in beslag nemen.”
Daarna verscheen een knappe jonge man in de stad. De mensen namen hem gevangen en verkrachtten hem.”
Er zijn nog tientallen andere bronnen die, elk op hun manier, ditzelfde verhaal vertellen. De mensen uit het volk van Loet waren gierig en zochten manieren om hun voedsel niet te moeten delen met de vreemdelingen en de reizigers die door hun regio trokken. Satan, die ons allemaal bang en bezorgd maakt voor onze bezittingen en die de hebzucht van onze ego’s steeds blijft aanwakkeren, fluistert hen het boosaardige plan in om al die vreemdelingen en reizigers te verkrachten en te beroven. Op die manier, zo zegt hij, zal niemand hier nog durven passeren. De mensen vertrouwen op Satan en voeren zijn plan uit, waarna ze meer en meer zin krijgen om mannen te verkrachten.
Laat er geen verwarring rond bestaan. Dit soort behandeling van reizigers was niet minder dan een doodvonnis. De mannen die door de stad passeerden werden niet alleen gevangengenomen, verkracht en beroofd, maar ze werden ook nog eens in de woestijn achtergelaten. Dat overleeft niemand. De woestijn is een levensgevaarlijke plaats. Wie daar aan zijn lot wordt overgelaten, komt al gauw om door honger of dorst, door het gif van slangen en schorpioenen of door de schroeiende hitte overdag of de ijzige kou tijdens de nacht.

De interpretatie van de profeten

Het verhaal van het volk van Loet wordt ook in de Bijbel door verschillende profeten besproken. Als we echt helemaal willen snappen wat die gruwelijke zonde van dat volk was, dan is het belangrijk om ook de interpretatie van die profeten te leren kennen.
In Beresjit (Genesis), het eerste boek van de Thora, vinden we vermoedelijk de oudste versie van het verhaal. In het dertiende hoofdstuk (13:13) van dit boek lezen we dat Loet (in de Bijbel “Lot” genoemd) zich in de stad Sodom ging vestigen. Er staat ook dat de mannen van Sodom kwaadaardige zondaars waren, maar er wordt nog niet uitgelegd wat hun zonden precies zijn.
In het achttiende hoofdstuk (18:20-21) van Beresjit vertelt God aan de profeet Abraham dat een roep om vergelding opgestegen is uit de stad Sodom en dat de zonden in die stad uitermate zwaar is. Hij zegt dat hij besloten heeft om neer te dalen en zelf in te grijpen om het onrecht te stoppen. Het is belangrijk om hier op te merken dat God in het boek Sjemot (Exodus), het tweede boek van de Thora, exact dezelfde woorden gebruikt wanneer hij tegen Mozes (alaihi salaam) spreekt over het systeem van slavernij in Egypte. Ook hier (Sjemot 3:7-8) zegt God dat Hij een roep om vergelding heeft gehoord en dat hij zal neerdalen om orde op zaken te stellen.
Nadat Abraham heeft gehoord dat God van plan is om de stad Sodom te vernietigen, begint hij te discussiëren over dat plan. Hij vraagt of God de stad ook zou vernietigen als er nog vijftig rechtvaardigen wonen. God zegt hem dat hij die stad zou sparen omwille van die vijftig. Ook omwille van veertig, dertig of twintig rechtvaardigen zou hij de hele stad sparen. Zelfs als er slechts tien rechtvaardige mensen in de stad aanwezig zouden zijn, dan zou die stad gespaard worden. Helaas zijn er in heel die stad nog geen tien rechtvaardigen te vinden.
In het negentiende hoofdstuk van het boek Beresjit, lezen we het verhaal van Loet en de boodschappers dat ook in de Koran beschreven staat. De boodschappers komen bij Loet aan en deze ontvangt hen gastvrij. De mensen van de stad zijn daar echter niet tevreden mee. Zij eisen dat Loet de boodschappers aan hen uitlevert, zodat zij seks met die mannen kunnen hebben. Loet weigert echter en de boodschappers delen hem mee dat de stad vernietigd zal worden.
Dit verhaal uit de Thora was natuurlijk bekend bij alle profeten uit de Bijbel. Sodom en Ghomora, de steden waar het volk van Loet woonde, zijn doorheen heel de Bijbel een symbool voor steden die door God werden vernietigd omdat de bevolking er zwaar zondigde.
De profeet Jesajahu (Jesaja) vergelijkt bijvoorbeeld de heersers in Jeruzalem met de mensen van Sodom (Jesajahu 1:9-15, 3:9). Hij verwijt hen dat ze met veel uiterlijk vertoon doen alsof ze heilig zijn, maar ondertussen onrechtvaardig heersen over de mensen. De religieuze rituelen en ceremonieën die deze heersers organiseren, dienen alleen maar om hun onrecht te verbergen. In de plaats van hypocriete religieuze schijn, zouden ze beter echte rechtvaardigheid nastreven en de onderdrukten bevrijden (Jesajahu 1:16-17). Maar ook het imperialistische Babylon wordt door Jesajahu vergeleken met Sodom (13:9). Ook deze koloniale onderdrukker zal volgens hem omwille van zijn gruweldaden vernietigd worden zoals de steden waar het volk van Loet woonde.
Ook de profeet Jirmjahu (Jeremia) vergelijkt de heersers in Jeruzalem met de mannen uit Sodom (Jirmjahu 23:14, 49:18). Zij hebben zwaar gezondigd en hun macht misbruikt. Ze hebben gelogen en bedrogen en macht gegeven aan misdadigers. Ook hun heerschappij zal vernietigd worden zoals Sodom en Ghomora. Niemand zal er ooit nog kunnen wonen. Ook in zijn Eichach (klaagliederen) spreekt Jirmjahu over de vernietiging van het volk van Loet. De straf die Jeruzalem zal ondergaan omwille van de talloze zonden die er werden begaan, zal volgens hem nog erger zijn dan die van Sodom (Eichach 4:6).
De profeet Yechezekel (Ezechiël) somde de misdaden van het volk van Loet op (Yechezekel 16:49). Ze waren schuldig aan hoogmoed, hebzucht en ijdelheid. Hoe rijk ze zelf ook waren, ze bekommerden zich niet om de armen en de behoeftigen. Ze waren vol van zichzelf en wat ze deden was een gruwel in de ogen van God.
Het is duidelijk dat deze profeten niet dachten dat het volk van Loet gestraft was omwille van homoseksualiteit. Zij wisten heel goed wat de misdaden van dit volk precies waren. Het volk van Loet had een systeem in het leven geroepen dat gebaseerd was op machtsmisbruik, georganiseerde foltering en verkrachting, diefstal en moord. Juist daarom gebruikten zij dit verhaal om het onrecht van de heersers uit hun eigen tijd aan te klagen.

Conclusie

Wanneer we het hele verhaal van de profeet Loet in zijn context bestuderen, dan blijft er niet zo veel over van de klassieke interpretatie. Het verhaal is geen ondubbelzinnige veroordeling van homoseksualiteit. Het vertelt over over seksueel misbruik binnen machtsrelaties, over misbruik van vertrouwen en van macht. Het is een illustratie van hoe hebzucht en gierigheid eerst kan leiden tot uitsluiting en daarna tot het ontmenselijken van buitenstaanders, tot kidnapping, foltering, diefstal en moord op grote schaal. Het toont hoe zelfzuchtigheid een volk tot georganiseerde misdaad kan brengen.
Dit is namelijk de zonde van het volk van Loet. Ze vonden hun eigendom, hun macht en hun eigen gemak belangrijker dan het leven van hun naaste. Ze vonden zelfs manieren uit om hun naaste systematisch te onderdrukken, te folteren, te verkrachten, te beroven en te vermoorden. Het was een gruwelijk systeem van georganiseerde misdaad die enkel en alleen tot doel had om de rijkdom en de macht van de mannen uit Sodom te beschermen en deze gruwel was inderdaad zo erg dat niemand ter wereld ze ooit eerder op zo’n grote schaal had georganiseerd.
Beweren dat homoseksualiteit de eigenlijke misdaad was van dat volk, is even absurd als beweren dat het zetten van tatoeages de eigenlijke misdaad was die de nazi’s in hun concentratiekampen begingen. Het volk van Loet was een misdadig volk dat voor het eerst in de geschiedenis op grote schaal het folteren en vernietigen van mensen had georganiseerd. Dat de seksuele foltering die een onderdeel vormde van dat systeem toevallig homoseksueel was, is slechts een bijzaak. Bij seksueel misbruik moet men zich niet richten op het seksuele, maar op het misbruik. Wie niet in staat is om dat te zien, heeft waarschijnlijk een heel verkrampte kijk op seksualiteit.

Geloof nooit dat jij niets waard bent!

Geloof nooit dat jij niets waard bent!

Soms hoor je mensen de pijnlijkste dingen zeggen. Sommige mensen kunnen heel hard zijn voor zichzelf. Sommige mensen vinden zichzelf niets waard.

“Ik ben het niet waard om gelukkig te worden.”
“Ik ben een onmens.”
“Ik ben een mislukkeling.”
“Misschien ben ik gewoon een productiefout van God.”

Het doet pijn om zoiets te horen. Hoe kan het dat mensen zichzelf echt waardeloos vinden? Waar komt dat gevoel vandaan?

Klei en Geest

De Koran vertelt hoe God de wereld schiep, met alle planten en dieren, alle bergen en oceanen. Toen heel die wereld geschapen was, besloot God om in die wereld ook een vertegenwoordiger (khalief) aan te stellen.

En toen uw Meester tot de engelen zei:
“Ik wil een khalief op aarde plaatsen”

(Koran 2:30)

God besloot om de mensen te doen ontstaan. God besloot om ons te scheppen. Jij en ik en alle andere mensen die ooit op deze wereld rondliepen. Wij zijn er gekomen om het toppunt te worden van heel de schepping, barmhartige en erbarmende vertegenwoordigers van de God die Zichzelf “de Barmhartige, de Erbarmer” noemt. Jij, ik, wij allemaal hebben als doel om Gods liefdevolle creatieve werk hier op Aarde te doen. Elk op onze manier. Elk binnen onze eigen mogelijkheden.

En Hij begon de schepping van de mensheid uit klei.
Dan vormde Hij hem
en ademde hem Zijn Ruh in.

(Koran 32:7-9)

God heeft ons geschapen uit klei, uit modder. Daarna vormde Hij die modder tot een mens. Hij gaf vorm aan een lichaam dat minstens even goed functioneert als dat van de andere dieren. Maar hier stopte het scheppen van de mens niet. God nam het uit klei gevormde mensenlichaam en blies het Zijn Ruh, Zijn Geest, Zijn Levenbrengende Adem in.

Nadat God ons geschapen had, gaf hij de engelen de opdracht om voor ons te buigen. Eerst aarzelden de engelen.

toen zeiden zij:

“Wilt U er iemand plaatsen
die er onheil zal stichten en bloed zal vergieten,
terwijl wij U verheerlijken met de lof die U toekomt
en Uw Heiligheid prijzen?”

(Koran 2:30)

Zij wisten hoe gemakkelijk mensen fouten kunnen maken. Ze wisten dat wij in staat waren om de wereld tot een hel te maken. Ze wisten dat we in staat waren om anderen bewust kwaad te doen, om bloedbaden, oorlogen en milieurampen te organiseren. Ze hadden geen vertrouwen in een wezen dat gevormd was uit klei, uit materie. De engelen aarzelden om voor ons, voor de mens te buigen.

En Hij leerde Adam al de namen.

Dan plaatste Hij de dingen met die namen
voor de engelen en zei:

“Noem Mij dan hun namen,
als jullie zo zeker zijn van jezelf.”

Zij zeiden:
“Heilig bent U.
Wij bezitten geen kennis,
buiten hetgeen U ons hebt geleerd”

(Koran 2:31-32)

Toen gaf God de mensen toegang tot alle kennis over deze wereld en leerde ons op die manier hoe we die wereld kunnen transformeren. Toen de engelen hoorden dat wij toegang kregen tot alle kennis over deze wereld, begrepen ze dat wij waardevolle wonderwezens zijn. Toen bogen de engelen voor ons.

Wij mensen zijn allemaal een wonderlijke, bovennatuurlijke samenwerking van klei en van geest. We zijn ontstaan uit klei, uit gewone materiële onderdelen, maar hebben de Levenbrengende Geest van God ingeademd. Juist daardoor zijn wij als enigen in staat om deze unieke rol op ons te nemen liefdevolle vertegenwoordigers van de Liefdevolle God te zijn.

Wij zonden je om geen andere reden
dan als barmhartigheid voor alle werelden.

(Koran 21:107)

Dit is belangrijk. Dit is onze identiteit. Dit is wie wij zijn. Jij, ik, alle mensen die ooit hebben bestaan, zijn Gods khaliefen, Gods vertegenwoordigers in deze wereld. Wij zijn door God geschapen om Zijn liefdevolle creatieve werk te doen op deze wereld. Wij zijn uit klei geschapen, uit gewone materie. We hebben gewone materiële lichamen meegekregen, zodat we een deel van de materiële wereld kunnen zijn. Maar we hebben ook Gods Levenbrengende Geest ingeademd. Wij zijn in staat om zelf leven te geven, om zelf creatief en liefdevol de bestaande natuur te overstijgen en te transformeren.

Waarlijk, wij hebben
de mens in de beste vorm geschapen.

(Koran 95:4)

Gelijk hoe waardeloos iemand zichzelf vindt, de waarheid is dat ook die persoon een vertegenwoordiger is van Gods Barmhartigheid en Erbarmen in deze wereld. De waarheid is dat er geen onmensen bestaan, geen mislukkelingen. Dat is de waarheid die God de engelen heeft doen inzien. De waarheid is dat iedere mens van onschatbare waarde is. De waarheid is dat God geen productiefoutjes heeft gemaakt. De waarheid is dat wij allemaal khaliefen zijn en dat zelfs de engelen voor ons moeten buigen.

Onze Fitra

Onze fitra, onze natuur, is dat wij solidaire, barmhartige, liefdevolle en creatieve wezens zijn. Wij zijn geschapen om samen te werken, om mekaar te ondersteunen en lief te hebben en om de wereld rondom ons te transformeren. Wij zijn geschapen om de God van de Eenheid en de Harmonie te vertegenwoordigen in de schepping en zijn daarom van nature geneigd om te werken aan eenheid en harmonie in en rondom ons. Eenheid en harmonie in onszelf, in onze eigen ziel en ons eigen lichaam. Eenheid en harmonie tussen de mensen rondom ons. Eenheid en harmonie in onze samenleving. Eenheid en harmonie tussen alle mensen. Eenheid en harmonie in de relatie tussen de mensen en het leefmilieu… Wij zijn het enige geschapen wezen dat echt in staat is om Gods Eenheid en Harmonie over de wereld te verspreiden.

Waarlijk, wij hebben
de mens in de beste vorm geschapen.

(Koran 95:4)

Of je nu gelooft in een God of niet, uit alle recente wetenschappelijk onderzoek blijkt dat wij mensen geboren samenwerkers zijn, dat ons lichaam en onze hersenen ons tot de meest intelligente, solidaire, barmhartige en creatieve dieren van heel deze planeet maken. Er zijn tientallen systemen in onze hersenen die solidair gedrag belonen of die ons afkerig maken van egoïsme. Hoe meer onderzoek men naar onze hersenen doet, hoe duidelijker het wordt dat wij van nature de meest solidaire en altruïstische van alle diersoorten zijn.

In ons lichaam hebben we bijvoorbeeld bepaalde zenuwbanen die niet alleen actief zijn wanneer we zelf een handeling verrichten, maar ook wanneer we anderen diezelfde handeling zien doen. Die zenuwbanen worden “spiegelneuronen” genoemd. Ze maken dat we buitengewoon geschikt zijn om ons empathisch te gedragen tegenover onze omgeving. Wetenschappers hebben zelfs vastgesteld dat wij, iedere keer we iets willen doen bij iemand anders, ons eerst inbeelden hoe dat bij onszelf zou aanvoelen. Blijkbaar maken onze hersenen en onze zenuwen ons tot empathische wezens die ertoe geneigd zijn om anderen te behandelen zoals wij zelf behandeld willen worden.

Onze hersenen maken ons ook heel gevoelig voor onrecht. Alle mensen hebben van nature een goed werkend geweten dat hen in staat stelt om het goede te doen en het kwade te laten. Onze afkeer van onrecht is waarschijnlijk aangeboren. Zelfs baby’s keuren “stoute” poppen (die een andere pop kwaad hebben gedaan) af, terwijl ze “brave” poppen (die een andere pop geholpen hebben) vreugdevol goedkeuren.

Maar het belangrijkste kenmerk van onze menselijke hersenen, is de omvang. Geen enkel ander dier heeft, in verhouding tot zijn lichaamsgrootte, zoveel hersenen als wij. Vooral onze neocortex is veel groter dan bij om het even welke andere soort. En van die neocortex is het voorste deel, de prefrontale cortex, hetgeen dat ons echt helemaal uniek maakt. Die enorm grote prefrontale hersenkwab geeft ons de mogelijkheid om heel complexe ideeën te hebben. Wij zijn in staat om abstract te denken, om verschillende mogelijke hypothesen in gedachten uit te proberen.

Waarlijk, wij hebben
de mens in de beste vorm geschapen.

(Koran 95:4)

We hebben niet alleen een heel sterk stel hersenen, we hebben ook de ideale software. Wij zijn de enige diersoort die is uitgerust met een hypercomplexe taal, waarin we heel de wereld kunnen benoemen en bespreken. Volwassen mensen kennen gemiddeld tussen de 20.000 en 35.000 woorden. Jonge kinderen leren letterlijk duizenden woorden op een jaar. Doordat we die woorden onbeperkt kunnen combineren, kunnen we alles bespreken wat we willen. We kunnen met taal de hele wereld leren begrijpen en die, door ze te begrijpen, ook veranderen.

Een bijproduct van onze unieke geestelijke vermogens, is het ontstaan van kunst. Wij mensen kunnen de wereld niet alleen op een realistische manier uitbeelden, maar ook op een symbolische manier. Deze aanleg om symbolisch over de wereld te spreken is ook universeel. Zowel kleuters doen het als bejaarden. Zowel in China als in Europa, in India en in Congo. Zowel in hypermoderne steden als bij gemeenschappen jagers verzamelaars. Wij gebruiken symbolen en maken, elk op onze manier en in dialoog met onze tradities en culturen, kunst.

Een ander bijproduct is dat we niet anders kunnen dan ons bewust worden van God. Ook Taqwa lijkt te zijn aangeboren. Mensen zijn uitgerust met een aantal geestelijke vermogens die ons, als ze samenwerken, de God van de Eenheid en de Harmonie laten ervaren. Een van die vermogens is onze menselijke “theory of mind”. Wij hebben een bewustzijn (een “mind” in het engels) en daardoor vermoeden wij dat andere wezens ook zo’n bewustzijn hebben. Die theory of mind wordt versterkt door onze H.A.D.D. (hyperactive agency detection device), een systeem in onze geest die ons doet vermoeden dat achter alles intelligente oorzaken zitten. Tijdens spirituele en mystieke ervaringen, kunnen we de eenheid van de hele wereld ervaren. Ook deze eenheidservaringen kunnen ontstaan als bijproduct van hoe onze hersenen en onze geest functioneren.

Wij zijn op de best mogelijke manier in staat om goed te zijn voor mekaar. We kunnen via taal onze omgeving begrijpen op een manier die geen andere diersoort ons kan nadoen. Wij zijn zelfs op neurologisch vlak gefinetuned om deel te nemen aan Gods Eenheid en Harmonie, om God op spirituele en mystieke manier te ontmoeten. Zo zijn we perfect uitgerust om op een creatieve manier meer eenheid en harmonie te brengen in de wereld.

En ieder heeft een doel om zich naartoe te richten.
Wedijver dus met mekaar bij het doen van het goede.

Waar je je ook moge bevinden,
God zal jullie allemaal weer samenbrengen.

Zie, God is tot alles in staat.

(Koran 2:148)

Dat is onze fitra. Dat is onze natuur. Niemand kan dat ooit van ons afnemen. Wij zijn liefdevolle, barmhartige en solidaire wezens. Wij worden bewogen door ons verlangen naar rechtvaardigheid en onze afkeer van onrecht. Wij zijn ontzagwekkend intelligent en kunnen dankzij onze intelligentie de hele wereld transformeren. Daarenboven zijn we geboren kunstenaars en geboren mystici. Wij zijn waarlijk de beste wezens die ooit geschapen zijn.

Waarlijk, wij hebben
de mens in de beste vorm geschapen.

(Koran 95:4)

De Listen van de Duivel

Maar als wij zo’n solidaire, barmhartige, rechtvaardige wezens zijn, hoe komt het dan dat deze wereld vol pijn en ellende is? Waarom lijkt het zo vaak dat de ene mens voor de andere een wolf is? Is deze wereld vol uitsluiting, uitbuiting, onderdrukking, oorlogen, bloedbaden en milieurampen, niet het beste bewijs dat de engelen gelijk hadden met hun bezorgdheid? Is de mens niet gewoon een vergissing, een te ver door geëvolueerde aap die nu klaar is om de hele planeet te vernietigen?

Eerst en vooral is het heel goed dat we bezorgd zijn. De wereld is vandaag in gevaar. Niet alleen dreigen er ernstige klimaatverstoringen en zijn er hele ecosystemen bedreigd door vervuiling, verwaarlozing of plundering. Niet alleen worden miljoenen mensen bedreigd door oorlog, honger, vervolging, genocide of tal van andere door mensen veroorzaakte rampen. Ook op veel kleinere schaal rondom ons, zien we hoe het steeds vaker fout gaat. Mensen lijken niet meer met mekaar om te kunnen gaan. Mensen zijn bang van mekaar geworden. Ze isoleren zich, trekken zich terug in hun eigen cocon. Meer en meer delen van de samenleving raken versplinterd, geatomiseerd.

Hoe kan het dat wij, wezens die geschapen zijn als vertegenwoordigers van de God van de Eenheid en de Harmonie, juist meer verdeeldheid en onevenwicht in deze wereld brengen? Welke kracht is het die ons ertoe verleidt om het omgekeerde te doen van hetgeen waarvoor we geschapen zijn, het omgekeerde van wat in onze natuur zit ingebakken?

toen zeiden Wij tot de engelen: “Buig voor Adam”
en zij bogen zich allen, behalve Iblis.
Hij behoorde niet tot de buigenden.

“Waarom heb je niet gebogen toen ik het je zei?”

Hij zei: “Omdat ik beter ben dan hem.
U hebt mij geschapen uit vuur,
maar hem heb je uit modder geschapen.”

(Koran 7:11)

Toen God aan de engelen het bevel gaf om voor Adam te buigen, deden ze dat allemaal. Alleen Iblis, de Duivel, weigerde. Hij bleef vasthangen aan de twijfels van de engelen. Zijn eigen ego, zijn trots had hem in zijn macht, zodat hij het positieve potentieel van de mens niet kon zien. Hij was zelf immers geschapen van lichtgevend vuur, terwijl de mensen maar van miezerige klei waren gevormd. Wat zou hij voor die geëvolueerde apen buigen?

Om zijn weigering kracht bij te zetten, zweerde hij dat hij de mensen steeds opnieuw zou proberen weg te leiden van hun eigenlijke natuur. Hij zou ze verleiden om hun eigen ego tot god te nemen in plaats van de Ene God van de Eenheid en de harmonie. Hij zou ze bang maken voor mekaar en voor de wereld en ze wijsmaken dat Baäl en Mammon, de goden van de macht en de rijkdom, hen zouden beschermen.

“Ik zal hen steeds in de weg zitten
op Uw rechte pad.

Ik zal hen langs voor en langs achter
en van hun rechterkant en linkerkant benaderen.”

(7:16-17)

De Duivel zweerde plechtig dat hij tot het einde der tijden de eeuwige fluisteraar zou zijn, die in de harten en de geesten van de mensen fluistert om hen op het verkeerde pad te brengen.

De eerste poging van Iblis om ons ten val te brengen, is in de tuin van het Paradijs. Midden in die tuin heeft God een boom geplant. De “Boom van onderscheid tussen Goed en Kwaad”. De mens mag van alles in het Paradijs de vruchten plukken, behalve van die boom. Als mensen namelijk zelf een onderscheid beginnen te maken tussen de “goeden” en de “slechten”, dan zal dat er toe leiden dat ze zichzelf (de “goeden”) tot goden willen verheffen door de anderen (de “slechten”) te onderdrukken. Iblis weet dat en verleidt de mensen daarom om toch ook de vruchten van die boom te eten.

Maar de Duivel fluisterde tegen hen
en wilde hen tonen wat ze verborgen
van hun schaamte.

Hij zei: “Jullie Heer verbood jullie alleen maar
om van die boom te eten,
omdat jullie anders engelen zouden worden
of onsterfelijk.”

En hij beweerde plechtig:
“Waarlijk, ik ben een ernstige raadgever”

Dus deed hij hem met zijn listen vallen.
En toen ze geproefd hadden van de boom,
werd hun schaamte voor hen zichtbaar.

(Koran 7:20-22)

De Duivel fluistert de mensen in om toch de vruchten te plukken van het indelen van de wereld in “goeden” en “slechten” en als gevolg daarvan is deze wereld verdeeld geraakt. De mensen begonnen mekaar nu te beoordelen en in te delen in “goeden” en “slechten”. En van zodra mensen mekaar begonnen te beoordelen, begonnen ze zich ook te schamen voor mekaar. Ze werden argwanend voor de blik van de anderen. Wat hadden die anderen gezien? Wat zouden ze wel denken?

Dit soort onderscheid tussen mensen, waarbij de enen meer waard zouden zijn dan de anderen, is dodelijk. Iedere keer wanneer we denken dat de ene persoon meer waard is dan een andere, begeven we ons op het pad dat leidt naar moord en doodslag.

Op een dag waren de kinderen van de eerste mensen ruzie aan het maken. Een van de twee was verontwaardigd omdat het offer van zijn broer wel was aanvaard en het zijne niet.

Vertel hen de waarheid over het verhaal
van de twee zonen van de Mens.

Allebei brachten ze een offer
en van de ene werd het aanvaard,
maar van de andere niet.

Die zei: “Ik zal je doden.”

Maar de ander zei:
“God aanvaardt alleen offers
van wie Hem respecteert.

Als jij je hand opheft om mij te doden,
Dan zal ik mijn hand niet opheffen
om jou te doden.

Ik respecteer God,
de Heer van alle werelden.

(Koran 5:27-28)

De Duivel had hem ingefluisterd dat dit alleen maar kon betekenen dat zijn broer in Gods ogen meer waard was dan hij. De verontwaardiging sloeg om in woede en hij werd verblind door razernij. Hij liep op zijn broer af en sloeg hem dood.

Dit verhaal over de eerste broedermoord, vertelt op een symbolische manier ook het ontstaan van de maatschappij waar we nu in leven. Een aantal mensen begonnen een kleine tienduizend jaar geleden aan landbouw te doen in de plaats van rond te trekken als jagers–verzamelaars. Een paar landbouwnederzettingen groeiden op den duur uit tot steden en in die steden ontstonden klassen. Vanaf dat moment werd de identiteit van de mensen niet meer alleen bepaald door hun fitra, hun natuurlijke aanleg tot solidariteit, barmhartigheid, gerechtigheid, waarheid… maar ook door de verhoudingen tussen de klassen in de maatschappij waarin ze leefden.

De Duivel maakt je bang voor armoede
en gebiedt u dat wat slecht is,
terwijl God uit Zichzelf
jullie vergiffenis en overvloed belooft.

(Koran 2:268)

Vanaf dan waren er koningen, farao’s en keizers die heersten over de bevolking. Zij vonden dat zij van nature veel meer waard waren dan de andere mensen. Ze geloofden dat hun macht en hun rijkdom hen onsterfelijk zouden maken.

Weg met de roddelaar en de lasteraar
die rijkdom blijft verzamelen en blijft tellen.
Hij denkt dat zijn rijkdom
hem onsterfelijk zal maken.

(Koran 104:1:3)

Ze hadden zichzelf tot goden gemaakt in de plaats van de Ene God van de Eenheid.

En vanaf dan waren er ook slaven, uitgebuite boeren, en loonarbeiders in de steden. De maatschappij werd meer en meer opgedeeld in een klasse van waardevolle winners en een klasse van waardeloze verliezers. Om de verhouding tussen die klassen in stand te houden, steunden de heersers op het psychologische geweld van een goed betaalde klasse van priesters. Die moesten allerlei theologische verhalen bedenken om de bevolking wijs te maken dat zij inderdaad veel minder waard waren dan de koningen, farao’s en keizers die over ze heersten. Als dat psychologisch geweld niet meer werkte, dan konden de heersers altijd nog rekenen op het fysieke geweld van de militairen.

En hij (Farao) zei:
“Als je een ander dan mij tot god neemt,
dan zal ik je zeker in de gevangenis opsluiten.”

(Koran 26:29)

Maar er ontstonden niet alleen verschillen tussen de klassen. Ook tussen genders ontstond er een rangorde. Mannen werden steeds waardevoller geacht, vrouwen steeds waardelozer. Mannen mochten macht uitoefenen over vrouwen, vrouwen moesten zwijgen, gehoorzamen en kinderen baren en iedereen die niet in één van die twee genderrollen paste, die was al helemaal waardeloos.

De heersers maakten hun onderdanen ook wijs dat iedereen die tot een ander volk behoorde ook minderwaardig was. Mensen met een andere huidskleur, een ander uiterlijk, een andere taal of een andere cultuur werden als onbetrouwbare, domme, afgestompte barbaren voorgesteld. Al het positieve dat kon ontstaan wanneer verschillende volkeren en culturen mekaar ontmoeten, werd op die manier van tevoren onmogelijk gemaakt.

O, Mensen,
We hebben jullie waarlijk geschapen
mannelijk en vrouwelijk,
en jullie in groepen ingedeeld
zodat jullie mekaar zouden leren kennen.

Waarlijk de meest edele onder jullie
in de ogen van God
is de meest rechtvaardige onder jullie.

Waarlijk, God is Alwetend en Bewust.

(Koran 49:13)

Stilaan was de hele maatschappij ingedeeld volgens de duivelse leugen. Aan de top zaten de heersers, die duidelijk veel waardevoller waren dan alle anderen. Zij werden omringd door de rest van de heersende klasse. Die waren minder waard dan de heersers, maar ze waren duidelijk veel waardevoller dan de mensen die voor hen moesten werken. Bij die werkende mensen hebben de mannen sowieso meer waarde dan de vrouwen en de queers, en zijn de mensen met de juiste huidskleur meer waard dan de anderen. Aan de onderkant van die maatschappij leven de waardeloos gemaakten, de armen, de weduwen en wezen, de invaliden, de mensen die het harde leven niet meer aankunnen en ingestort zijn… Zij zijn zo waardeloos dat ze in de goot moeten bedelen.

Mensen leven nu al duizenden jaren in deze duivelse maatschappij die geregeerd wordt door de duivelse leugen. We hebben allemaal al generaties aan een stuk geleerd dat er goeden zijn in deze wereld en slechten, dat de ene mens minder waard is dan de andere. Als mensen generaties lang, van ouder op kind, een leugen doorgeven, dan wordt die leugen een deel van het leven. Op den duur ziet niemand nog waar de leugen eindigt en waar het leven begint. Mensen kunnen zich zelfs niet meer voorstellen dat er iets anders zou kunnen bestaan dan die leugen.

En wanneer tot hen gezegd wordt:
“Volg dat wat God heeft geopenbaard,
dan zeggen zij: “Wij volgen hetgeen dat we onze voorouders hebben zien doen.”

Doen ze dat?
Zelfs al waren hun voorouders er geen verstand van
en hadden ze geen gids?

(Koran 2:170)

Zelfs al hebben we vroeger misschien heel goed geweten dat dat niet onze echte identiteit is, dat wij allemaal geschapen zijn als vertegenwoordigers van god in deze wereld, dan nog worden we platgeslagen met miljoenen voorbeelden van hoe de ene mens meer of beter zou zijn dan de andere.

Het is ondertussen in deze maatschappij normaal geworden om de ene mens meer waard te vinden dan de andere. We bepalen de waarde van een mens door te zien hoeveel zij bezit, wat zij allemaal doet en wat andere mensen allemaal over haar zeggen. Op den duur geloven we zelf meer en meer dat dit onze identiteit is. We geloven dat we zijn wat we bezitten. We geloven dat we zijn wat we doen of niet doen. We geloven dat we zijn wat andere mensen over ons zeggen. Ook al blijft er altijd in ons een stukje bestaan van het inzicht dat wij zo veel meer zijn dan dat, de meesten van ons hechten meer en meer geloof aan de leugens.

Op den duur zijn we de leugen van Iblis zo gewend geraakt, dat we ons niets anders meer kunnen voorstellen dan dat hij gelijk heeft. De leugen dat de ene mens meer waard is dan de andere is zo diep in onze levens ingesleten, dat we geloven dat dat de waarheid is. Op den duur wordt deze leugen de dominante stroming in onze maatschappij en wordt het bijna onmogelijk om tegen die stroom in te gaan.

In onze identiteit is dus niet alleen die natuurlijk aanleg aanwezig, die ons tot solidaire, barmhartige en rechtvaardige mensen maakt. Er is ook het constante gefluister op de achtergrond, de stem van de Duivel die ons wijsmaakt dat sommige mensen meer waard zijn dan anderen. Bij alles wat we doen, moeten we ons hele menszijn, ons hart, onze hersenen en onze ziel inspannen om steeds volgens onze natuurlijke fitra te handelen en om al het listig gefluister van Iblis te ontmaskeren en onschadelijk te maken.

Doordat we in deze maatschappij voortdurend van onze ware identiteit worden afgeleid door de massaal gepropageerde duivelse leugen, vergeten we op den duur wie we echt zijn. We weten niet meer hoe waardevol we allemaal zijn. We zijn vervreemd van onze echte identiteit. We zijn verblind door de leugen dat de ene mens meer waard is dan de andere, en daarom zijn we voortdurend bang geworden dat wij zelf niet waardevol genoeg zijn. We weten niet meer wie we zijn. Daarom wordt deze maatschappij “jahiliya” of “onwetendheid” genoemd.

De profetische boodschap

We staan gelukkig niet alleen in onze strijd tegen het gefluister van Iblis. God laat ons niet aan ons lot over. Wij krijgen alle hulp die we nodig hebben. God schenkt ons steun en goede raad. God wil voor ons een gids zijn, zodat we de weg niet kwijtraken. Wat er ook gebeurt, God is steeds dichter bij ons dan we zouden kunnen vermoeden.

Wij hebben de mens geschapen
en we weten wat zijn ego hem influistert
en we zijn dichter bij hem dan zijn halsslagader.

(Koran 50:16)

We hebben niet alleen ons eigen geweten en ons eigen verstand meegekregen die ons kunnen helpen. God heeft ook nog eens duizenden mensen tot profeten gemaakt, tot mensen die een dieper inzicht hadden in deze wereld en die dat inzicht ook konden doorgeven aan hun omgeving.

En we hebben zeker naar ieder volk
een boodschapper gezonden:
“Dien God en blijf weg van de overdrijver.”

En onder hen waren er die God gidste
en onder hen waren er die zich duidelijk vergisten.

Trek dus rond over de aarde
en zie hoe de verwerpers aan hun einde kwamen.

(Koran 16:36)

Profeten zijn mensen die door de Geest van God begeesterd zijn. Zij zijn, veel meer dan andere mensen, gevoelig voor de stille maar zekere stem van de waarheid, voor die kracht van eenheid en van solidariteit, dat ideaal van gerechtigheid en vrede, dat wij “God” noemen. Daardoor zijn zij in staat om diepere inzichten te verwerven dan de meeste anderen. Ze begrijpen intuïtief hoe de wereld in mekaar zit, wat er misloopt en hoe we dat kunnen oplossen.

Deze profeten brengen ons een boodschap van God. Deze boodschap is natuurlijk altijd aangepast aan de samenleving waarin de profeet in kwestie leeft en rondtrekt, maar de kern van de boodschap blijft steeds dezelfde:

“Lieve mensen in deze wereld.

Besef toch dat dit alles is ontstaan
door het scheppende werk
van de Ene God van de Eenheid en de Harmonie.
Besef dat alleen deze Ene God
onze onvoorwaardelijke aanbidding verdient.

Trap toch niet in de val van de de Duivel
die wil dat wij andere krachten of idealen
als goden gaan aanbidden.
Geloof de leugen van de Duivel niet
die ons wil wijsmaken
dat sommige mensen meer waard zijn dan anderen.

Besef dat wij allemaal, alle mensen in de wereld,
door God geschapen zijn en gewenst.
Besef dat God ons in deze wereld heeft gevormd
uit nietige klei waarin Hij zijn Geest geademd heeft.
Besef dat God ons allemaal heeft gewenst in deze wereld
en dat niemand hier overbodig is.
Besef dat God ons allemaal heeft bedoeld
om als vertegenwoordigers te leven
van Zijn Barmhartigheid en Zijn Scheppingskracht.

Besef dat God niets liever wil
dan solidariteit, vrede en gerechtigheid
voor alle schepselen in deze wereld.
Besef dat God droomt van een wereld
waar iedereen goed is voor mekaar.

Besef dat God teleurgesteld, treurig en zelfs kwaad is
op iedereen die anderen als minderwaardig behandelt.

Besef dat God een hekel heeft
aan de heerschappij van de ene mens over de anderen
aan de uitbuiting van de grote meerderheid,
door een handvol rijke en machtige mensen.
Besef dat God een hekel heeft
aan alles wat sommige mensen bevoordeelt,
maar tal van andere mensen uitsluit.

Besef dat God,
die alles heeft geschapen en over alles meester is
geen onderscheid maakt tussen mensen.
Besef dat wij allemaal even waardevol zijn in Zijn ogen.

Besef dat God ook op ons rekent
om hier in deze wereld de macht van het kwade te breken.
Besef dat Hij ook op jou rekent
om de duivelse leugen van Iblis te weerleggen
en om de waarheid helder te zien.

Besef dat God ook wil dat wij opstaan,
jij en ik en iedereen die leeft,
om ons op elk moment van ons leven
bij alles wat we doen en laten
te verzetten tegen deze duistere macht.

Besef dat God niet wil dat wij in slaap vallen
en dat we als halfbewuste zombies
meelopen in de rat race van dit leven
in deze duivelse leugen.

Besef dat God, samen met ons,
droomt van de dag dat iedereen wakker zal worden,
de dag dat iedereen zal opstaan
en zich verzetten tegen de heerschappij van de Duivel.

Lieve mensen, lieve vrienden, lieve kameraden.
Wees toch goed voor mekaar en doe mekaar geen kwaad.

Besef dat andere mensen precies zijn zoals jullie zelf.
Ook andere mensen willen alleen maar geluk vinden
en angst en lijden zoveel mogelijk vermijden.

Besef dat God ons allemaal verschillend heeft geschapen.
Elk van ons heeft haar eigen talenten en vaardigheden,
maar elk van ons heeft ook haar eigen moeilijkheden.
Wij zijn geschapen om Barmhartig te zijn voor mekaar.
We zijn er om mekaar te steunen.

Besef heel goed dat
als de dag komt dat wij door God geoordeeld zullen worden,
de vraag niet zal zijn hoeveel je bezat
of wat je allemaal goed voor mekaar gekregen hebt
of wat andere mensen allemaal over je gezegd hebben.

Besef dat wij allemaal door God geoordeeld zullen worden
op onze barmhartigheid, onze solidariteit
en onze rechtvaardigheid.

Lieve mensen,
Besef dat de hoofdstroming in deze maatschappij,
het geloof dat de ene mens beter zou zijn dan de andere,
niets anders is dan een leugen van de Duivel.
Besef dat wij allemaal even waardevol zijn.
Durf tegen de stroom in te gaan
en mekaar te steunen, te verzorgen en te beminnen.”

Deze boodschap raakt bij de meeste mensen een gevoelige snaar. Dat komt omdat ze niet nieuw is. Profeten komen niet met iets nieuws, maar met een herinnering aan de waarheid die al van voor onze geboorte in onze ziel, in onze hersenen, werd opgeschreven.

De boodschap van de profeten herinnert ons aan onze menselijke natuur, aan onze fitra die ons tot solidaire, barmhartige en rechtvaardige mensen maakt. Deze boodschap is het beste mogelijke tegengif tegen de leugen van de Duivel. Iblis probeert verdeeldheid te zaaien door de ene mens tegen de andere op te zetten, door de ene mens boven de andere te verheffen. Doorheen de profeten herinnert God er ons aan dat dat niet onze natuur is.

De profeten tonen ons dat we niet zijn wat we bezitten. Ze veroordelen openlijk het bezit van de rijke heersende klasse. Ze ontmaskeren die rijkdom als een middel om macht uit te oefenen over mensen, als een statussymbool om de leugen in stand te houden dat de ene mens meer waard zou zijn dan de andere. Al duizenden jaren roepen profeten op om die strijd om rijkdom op te geven. Als iedereen heeft wat ze nodig heeft, dan is dat voldoende. Meer dan dat is niet nodig. Al wat we meer hebben dan dat, versterkt in ons binnenste de stem van Iblis. Al wat we bezitten zonder het echt nodig te hebben, wordt voor ons en voor anderen om ons heen een last, een oorzaak van jaloersheid, frustratie, angst, machtsmisbruik…

De profeten tonen ons ook dat we niet zijn wat we doen. Als we goede dingen doen, dan is dat heel goed. Als we zo handelen dat we een positieve invloed hebben op onszelf, op onze omgeving en op de wereld, dan komt dat iedereen ten goede. Onze hersenen zijn zo gevormd dat wij voor onze goede daden onmiddellijk beloond worden. Maar we mogen niet geloven dat hetgeen we doen ook onze waarde zou bepalen. Niemand van ons kan namelijk genoeg goede daden verrichten om haar onschatbare waarde op die manier te verdienen. Alle goede daden samen, zijn nog geen fractie van een splinter van de enorme waarde die iedere mens heeft. De profeten leren ons dat wij allemaal uiterst waardevol zijn, enkel en alleen omdat God ons heeft geschapen, ons heeft gevormd uit nietige klei en ons Zijn Levensadem heeft ingeblazen. De profeten leren ons dat wij waardevol zijn, juist omdat we mensen zijn.

We leren van de profeten ook dat wij niet zijn wat anderen zeggen over ons. Mensen hebben altijd snel een mening over hun medemensen klaar. Ook al weten ze niet alles over die medemensen, toch oordelen ze snel en vaak zonder genade. Er wordt geroddeld over mensen die een beetje afwijken van deze of die norm. Mensen die niet helemaal passen in het verwachtingspatroon van deze maatschappij, worden uitgesloten en onderdrukt. Anderen worden tot ver boven hun eigen vermogens de hemel in geprezen. Zij worden daardoor in een rol geduwd die hen voortdurend angst aanjaagt. Hoe meer status iemand heeft, hoe meer status ze ook kan verliezen.

De profeten herinneren ons eraan dat wij niets zijn van dat alles. We zijn niet wat we hebben, in tegendeel hetgeen we hebben maakt ons soms zelfs tot onmensen. We zijn niet wat we doen, want gelijk wat we allemaal doen, wij zijn als mensen oneindig veel meer waard dan dat. We zijn niet wat andere mensen van ons zeggen, want andere mensen hebben vaak de neiging om mee te stappen in de duivelse leugen en om de ene mens meer waarde toe te kennen dan de andere.

Juist daarom werkt de boodschap van de profeten zo bevrijdend. De woorden die God ons doorheen Zijn profeten schenkt, zijn helend. Ze kunnen ons genezen van alle kwalen die zijn ontstaan doordat we de leugen van de Duivel begonnen te geloven. Het zijn magische woorden die een magische invloed kunnen uitoefenen op onze ziel, op onze omgeving en op onze eigen persoonlijke levens.

De boodschap van de profeten werkt namelijk helend op verschillende niveaus.

O Mensen,
er is voor jullie advies gekomen van jullie Heer
en genezing voor wat in jullie borst is
en een gids en een barmhartigheid
voor zij die vertrouwen hebben.

(Koran 10:57)

Het is in de eerste plaats een pad dat ons dichter bij de God van de Eenheid en de Harmonie kan brengen. Het is een pad dat ons tot verlichte mensen kan maken, dat ons boven onszelf kan doen uitstijgen. Wanneer we leven volgens de richtlijnen die God ons doorheen Zijn profeten schenkt, dan komen we in de hemel terecht. Wanneer we die boodschap serieus nemen, dan worden we bevrijd van alle ellende die we op ons hebben gehaald toen we de vruchten wilden eten van de boom van onderscheid tussen goed en kwaad.

Het is ook een boodschap die ons helpt om de hele samenleving te genezen. De wijsheid van de profeten wijst ons de richting naar Gods gedroomde rijk van vrede, solidariteit en gerechtigheid. Het is een boodschap die spreekt over de rol die wij als mensen, als vertegenwoordigers van God in deze wereld, kunnen spelen in het Goddelijke plan.

En juist omdat deze maatschappij voortdurend van die Goddelijke rol wordt afgeleid, is de profetische boodschap ook een oproep tot verzet tegen de afgoderij van de heersers, verzet tegen de duivelse leugen dat de ene mens meer waard zou zijn dan de andere. De profeten roepen ons allemaal op om heel kritisch te zijn, om niets anders te aanvaarden dan deze ene waarheid: dat wij allemaal waardevolle wezens zijn, gevormd om de best mogelijke vertegenwoordigers van Gods Barmhartigheid te zijn in deze wereld. Wij moeten leren om alle andere boodschappen te ontmaskeren. Wij moeten leren om ons samen in te zetten om alle machten van het kwade onschadelijk te maken.

Maar deze voortdurende inspanning om tegen de dominante stroom van deze wereld in te gaan, voeren we niet zonder dat het ons iets kost. De machten van deze wereld, de massaal gepropageerde duivelse leugen en de verwoestende invloed die deze leugen heeft op de mensen die hem geloven, zij in staat om ons ernstig te verwonden.

Heel veel medemensen geloven op den duur zelf dat ze niets waard zijn. Als je een heel leven lang van iedereen te horen krijgt dat je niet voldoende bezit, dat je niets goed kunt doen, dat je een onmens en een mislukkeling bent, dan ga je dat op den duur zelf beginnen geloven. Op den duur gedragen sommige mensen zich precies zoals andere mensen het van hen verwachten. Ze gedragen zich alsof ze minderwaardig zijn. Ze zijn bang geworden van de veroordelende meningen van hun medemensen. Ze zijn depressief geworden omdat ze er, net als alle anderen, van overtuigd geraakt zijn dat hun leven mislukt is.

Maar ook hier helpt de boodschap van de profeten. De wijsheid van de profeten kan een helende invloed op onze psyche hebben. De woorden die zij, begeesterd door God, deelden met hun medemensen, kunnen een geneesmiddel zijn voor onze persoonlijke gekwetstheid. Als we de profetische boodschap horen en er eerlijk over nadenken, dan kunnen we ons eigen zelfbeeld op een gezonde manier bijstellen.

Het is belangrijk om af en toe opnieuw te horen dat we meer dan waardevol zijn. Het is belangrijk om af en toe opnieuw te vernemen dat God ons allemaal heeft gevormd uit klei en dan Zijn Levenbrengende Geest in ons heeft geademd. Als we niet af en toe aan deze hoogste waarheid worden herinnerd, dan kunnen we onszelf op den duur verliezen. Als we ons niet af en toe opnieuw kunnen oriënteren op het heldere licht van deze boodschap, dan dwalen we als depressieve zombies rond in de duistere nacht van de duivelse leugen.

Soms kunnen we ons een hele periode lang rot voelen. We hebben dan het gevoel dat we echt niets waard zijn, dat we er echt niets van bakken. We bezitten bijna niets, of misschien juist veel te veel, en daardoor maken we ons voortdurend zorgen. Alles wat we proberen te doen mislukt en op den duur voelen we ons ook echt mislukkelingen. We raken ervan overtuigd dat iedereen kwaad over ons spreekt. We denken dat iedereen op ons neerkijkt. We voelen ons letterlijk waardeloos.

Wie zich afwendt van de herinnering aan Mij,
die zal een depressief leven leiden.

(Koran 20:124)

Juist dan kan de profetische boodschap ons genezen. Juist dan is het van levensbelang dat iemand er ons aan herinnert wat onze echte identiteit is, onze fitra, onze menselijke natuur. Juist dan is het belangrijk om te beseffen dat wij unieke wezens zijn, met unieke vermogens die ons, meer dan wie of wat dan ook, geschikt maken om barmhartige, liefdevolle en creatieve vertegenwoordigers in deze wereld te zijn van de Barmhartige, Liefdevolle en Creatieve God. Juist dan is het nodig dat iemand er ons aan herinnert dat zelfs de engelen buigen voor waardevolle het wonderwezen dat wij allemaal zijn.

Jij en ik en alle mensen die ooit geleefd hebben, wij zijn allen waardevolle wonderwezens die in staat zijn om de Liefdevolle God volmaakt te vertegenwoordigen.

Waarlijk, wij hebben
de mens in de beste vorm geschapen.

(Koran 95:4)

Van opstandige oproep tot verdovend opium

Deze helende boodschap van de profeten is in staat om heel veel mensen te begeesteren. Deze genezende woorden wekken diep in ons onze barmhartige, solidaire en rechtvaardige natuur weer op. Het zijn woorden die ons aanspreken, ons wakker schudden, ons oproepen om op te staan. Het zijn woorden die ons bevrijden uit de verpletterende greep van de duivelse leugen, woorden die ons genezen uit ons neerdrukkende zombie bestaan.

Juist omdat die woorden zoveel mensen aanspreken, hebben alle profeten steeds een grote groep mensen rondom zich verzameld. Profeten slaagden er niet alleen in om Gods boodschap over te brengen, ze slaagden er ook in om een beweging te vormen van mensen die deze boodschap serieus wilden nemen. Ze beseften namelijk dat Gods boodschap niet zomaar een vrijblijvende spirituele leer is. Het is ook een praktische oproep om in de werkelijkheid het goede te doen en zo mee te werken aan Gods droom van een betere wereld. Het is een oproep tot verzet tegen de machten van het kwade. Het is een oproep tot koppige barmhartigheid, solidariteit en gerechtigheid. Een oproep om niet alleen tegen de stroom in te gaan, maar met z’n allen de stroom te veranderen.

Vooral de uitgesloten en arm gemaakte mensen, de vertrapte en gekleineerde mensen, voelden zich instinctief aangesproken door deze oproep van de profeten. Zij voelden het best hoe helend deze boodschap kan zijn voor mensen die door de maatschappij waardeloos werden gemaakt. Zij beseften heel goed dat deze oproep gericht is tegen de duivelse leugen en tegen de maatschappij die deze leugen volgt. Zij die in deze wereld de ergste slachtoffers geworden zijn van die leugen, herkennen het beste de waarheid, wanneer die tot hen komt.

Maar er zijn altijd ook mensen uit de heersende klasse, die heel goed aanvoelen dat er iets lelijk fout loopt in de maatschappij. Zij beseffen ook hoe gevaarlijk de duivelse leugen is. Ze zien hoeveel privileges de mensen van hun klasse genieten, terwijl anderen in armoede moeten leven. Zij weigeren de leugen in stand te houden dat zij waardevoller zouden zijn dan anderen. Ook die mensen sluiten zich vol overgave aan bij de profetische beweging.

Een groeiende beweging van mensen die begeesterd worden door de profetische boodschap, kan op den duur een echte bedreiging beginnen te vormen voor de belangen van de heersers. Als meer en meer mensen de duivelse leugen verwerpen en hardop verkondigen dat iedereen even waardevol is, dan kan heel het machtssysteem wel eens in mekaar storten. Dat zou heel goed zijn voor iedereen die nu door dat machtssysteem minderwaardig wordt gemaakt, maar veel mensen die nu door het systeem als waardevoller dan anderen worden gemaakt, zijn het daar niet mee eens.

Vaak werden profeten en hun aanhangers door de machthebbers vervolgd. Heersers zetten hun beste militairen en hun slimste theologen in om de profetische beweging zowel fysiek als ideologisch te bestrijden. De koppige aanhangers van de profeten, die bleven vertrouwen op de Goddelijke Waarheid dat wij allen waardevol zijn, werden desnoods uitgemoord.

Sommige aanhangers waren minder standvastig. Misschien waren ze te weinig op de hoogte van de Goddelijke waarheid. Misschien twijfelden ze nog te veel of het echt wel zo was dat alle mensen waardevolle barmhartige, solidaire en rechtvaardige wonderwezens zijn. Misschien waren ze gewoon bang voor het vreselijke geweld van de heersers. Wat ook hun motivering was, ze waren een gemakkelijke prooi voor de theologen van de heersers, die goed betaald werden om de profetische boodschap aan te passen aan de belangen van de heersende klasse.

Dus wee diegenen
die een boek schrijven met hun eigen handen
en zeggen: “Dit komt van God”
en het dan voor wat geldgewin verkopen.

Wee hen voor wat hun handen geschreven hebben
en wee hen voor wat ze ermee gewonnen hebben.

(Koran 2:79)

De heersers en hun goedbetaalde theologen hadden al heel vroeg begrepen dat de beste strategie tegen een opstandige profetische beweging, bestond uit het organiseren van een eigen beweging die er uiterlijk sterk op leek, maar die totaal de omgekeerde boodschap verkondigden. Zo ontstonden nieuwe religies, die allemaal beweerden dat ze teruggaan op de boodschap van de profeten, maar die eigenlijk het tegenovergestelde prediken. Zij herhalen de duivelse leugen dat de ene mens meer waard zou zijn dan de andere, maar doen het nu met citaten en uitspraken die ze aan de profeten toeschrijven.

De theologen van de macht beweren dat de waarheid over onze identiteit, het feit dat wij allen geschapen zijn om de Liefdevolle, Creatieve God te vertegenwoordigen in deze wereld, eigenlijk niet helemaal klopt. Zij beweren dat iedereen in feite zondig en mislukt is en dat alleen gehoorzaamheid aan hen, en aan hun meesters uit de heersende klasse, een mens terug een beetje waardigheid kan geven. Zij verzonnen allerlei regeltjes waar mensen zich zogenaamd aan moeten houden om waardig bevonden te worden door de God die ons geschapen heeft. Zij verzonnen een heel systeem van schuld en boete om ons af te leiden van de God die ons allen oproept tot barmhartigheid en vergevingsgezindheid.

Zij zijn ook de mensen die keer op keer een theologische verklaring geven waarom het rechtvaardig is dat de heersende klasse heerst over de rest van de bevolking. Hun theologie dient om de duivelse leugen dat de ene mens meer waard zou zijn dan de andere te vermommen als een deel van de profetische boodschap en om op die manier de ongelijkheid en de uitbuiting in stand te houden.

De oproep van de profeten om geen andere kracht of ideaal tot god te maken, behalve de Ene God van de Eenheid en de Harmonie, wordt verdraaid tot de plicht om aan allerlei inhoudsloze rituelen deel te nemen. Het dienen van de Ene God van de Solidariteit, de Barmhartigheid en de Rechtvaardigheid, door zelf solidair, barmhartig en rechtvaardig te handelen, verdwijnt. In de plaats daarvan worden mensen gedwongen om de afgoden van de heersende klasse te dienen: Macht, Rijkdom en Status.

Het duurt meestal geen twee eeuwen voor de heersende klasse er op die manier in slaagt om de beweging die een profeet heeft gesticht, te recupereren. Nadat de meest trouwe kameraden uit de weg werden geruimd, komen er duurbetaalde theologen die de beweging een heel nieuwe leer opdringen. De profetische boodschap dat iedereen even waardevol is, wordt doodgezwegen, de oproep tot opstand wordt uit de leer geschrapt. Onze menselijke natuur, die ons aanzet om solidair, barmhartig en rechtvaardig te zijn, wordt genegeerd. De leugen van de Duivel wordt overal versterkt. De nieuwe versie is een religie geworden die mensen eerst bang maakt dat ze waardeloos zouden kunnen zijn en hen dan verdooft met allerlei bovennatuurlijke sprookjes en hen ondertussen braaf en gehoorzaam houdt. Het is opium voor het volk geworden.

De afgod van de eigen zuiverheid

Alleen de mensen die zich strikt houden aan de boodschap van hun profeet, zijn in staat om deze religieuze recuperatie te doorzien. Zij verzetten zich tegen deze nieuwe religies van de heersers. Ze ontmaskeren de duivelse leugen. Zij ontmaskeren de theologie van de heersers als opium dat de mensen verdooft. Ze ontmaskeren de religie van de heersers als dwangdienst aan de afgoden van deze wereld.

In iedere generatie zijn er opnieuw honderden mensen die de leugen doorzien en op zoek gaan naar de echte, zuivere leer van de profeten. Zij proberen om de boodschap van hun profeet in de meest zuivere versie terug te vinden. Ze beseffen namelijk dat die boodschap helaas bezoedeld werd door die nieuwe religie van de heersers en hun theologen.

Het is goed om in die omstandigheden kritisch te zijn en te proberen om alle mogelijke vormen van onzuiverheid te ontdekken die de profetische boodschap veranderen in zijn tegendeel. Maar die houding kan ook gevaarlijk zijn als we erin overdrijven.

Iblis, de listige fluisteraar, beseft wanneer hij van tactiek moet veranderen. Mensen die niet meer geloven in de leugen van de heersende klasse, die heel goed doorhebben dat de heersers niet meer waarde hebben dan de overheersten, zullen die leugen niet zo snel meer geloven. Dat soort mensen moet je iets anders wijsmaken als je ze van het rechte pad wil afhalen.

Daarom heeft ook Iblis zijn leugens in andere termen leren verpakken. Hij maakt de zuivere volgelingen van de profeten wijs dat zij, juist doordat ze zo zuiver zijn, meer waard zijn dan de andere mensen. Hij maakt hen wijs dat alleen de meest zuivere aanhangers van de profetische beweging, ook waardevol genoeg zijn in Gods ogen.

Mensen die deze, iets meer gesofisticeerde versie van de duivelse leugen geloven, gaan steeds heviger op zoek naar alle vormen van onzuiverheid bij zichzelf en bij hun kameraden. De minste afwijking zien ze als een bron van onzuiverheid, een kankercel in het lichaam van de beweging. Iedere afwijking moet dan ook zo snel mogelijk uit verwijderd worden, anders kan de hele beweging kapot gaan.

Dat begint vaak met terechte kritiek op vergissingen en fouten van kameraden, maar daar blijft het niet bij. Allerlei details uit het leven van de profeet worden ineens in de verf gezet en iedereen die de profeet niet ook tot in die details wil navolgen, wordt als een afvallige gezien.

“Onze profeet bad vijf keer per dag en jij maar drie keer.
Jij bent dus onzuiver en minderwaardig.”

“Onze profeet was een man en jij bent een vrouw.
Jij bent dus onzuiver en minderwaardig.”

“Onze profeet at met zijn linkerhand en jij met je rechter.
Jij bent dus onzuiver en minderwaardig.”

“Onze profeet was heteroseksueel en jij bent queer.
Jij bent dus onzuiver en minderwaardig.”

“De profeet was rechtshandig en jij bent linkshandig.
Jij bent dus onzuiver en minderwaardig.”

“De profeet sliep op zijn rechterzij en jij slaapt op je rug.
Jij bent dus onzuiver en minderwaardig.”

Op den duur werden sommige aanhangers van de profetische beweging zo dronken door hun ingebeelde zuiverheid en de ingebeelde onzuiverheid van de anderen, dat zij zich alleen nog bezighielden met het veroordelen van zogenaamde afvalligen die eigenlijk hun kameraden hadden moeten zijn.

Op die manier kon de Duivel dankzij het sprookje van de zogenaamde zuiverheid zijn leugen ook binnenbrengen in die delen van de profetische beweging die probeerden authentiek te blijven. Mensen die hun tocht op het profetische pad begonnen waren omdat ze begrepen dat iedereen evenwaardig is, dat iedereen als wonderlijk waardevol wezen geschapen is om God te vertegenwoordigen in deze wereld, begonnen door dat sprookje zelf meer en meer te denken over goede en slechte mensen, zuivere en onzuivere mensen, waardevolle en waardeloze mensen.

Tal van mensen die elk op hun manier een schitterende bijdrage hadden kunnen leveren aan de profetische beweging voor een betere wereld, werden door de zuiverheidsfanaten uitgesloten. De ene omdat ze muziek maakte, de andere omdat ze zich niet conform de regels van de zuiverheid wilde kleden. Sommige mensen werden uit de beweging geweerd omdat ze de woorden van de profeten op een net iets andere manier interpreteerden, of omdat ze anders dachten over één of ander detail uit de profetische boodschap.

Die zuiverheidsfanaten, of fundamentalisten zoals ze vandaag de dag genoemd worden, hebben van hun eigen verzonnen zuiverheid hun nieuwe afgod gemaakt. Zij beweren wel dat zij de beste en meest zuivere dienaars zijn van de Ene God van Eenheid en Harmonie, maar met hun zuiverheidswaan brengen ze juist verdeeldheid en wanorde. Zij beweren wel dat ze de boodschap van de profeten op de meest zuivere manier willen doorgeven, maar eigenlijk geven ze vooral de duivelse leugen door. Zij hebben de boodschap van de profeten veranderd in een complex kluwen van regels en voorschriften. Wie deze voorschriften niet volgt, is volgens hen niet zuiver en dus ook niet waardig om een deel van de profetische beweging te zijn.

Maar dat is precies het omgekeerde van de echte profetische boodschap. De profeten roepen ons op tot een leven van solidariteit en barmhartigheid. Een leven waar iedereen mekaar ondersteunt, zodat de foutjes en tekorten van de ene kunnen worden opgevangen door de talenten en de vaardigheden van de ander. Wij zijn geschapen om samen te werken voor een betere wereld. Wij zijn allemaal waardevolle, wonderlijke wezens die perfect gevormd zijn om God te vertegenwoordigen in deze wereld. Niemand eist van ons dat we zuiverder zijn dan ene ander.

Waarlijk, wij hebben
de mens in de beste vorm geschapen.

(Koran 95:4)

Iedereen die doet alsof zogenaamd zuivere mensen meer waard zijn dan zogenaamd onzuivere mensen, heeft van zijn eigen zuiverheidswaan zijn afgod gemaakt.

De duivelse leugen in een neoliberaal jasje

Hoe is het dan vandaag gesteld? In wat voor soort maatschappij leven wij vandaag? Hoe zit het in onze wereld met de duivelse leugen? Hoe kunnen wij er hier en nu weer aan herinnerd worden wat onze fitra, onze ware natuur is?

We leven in een neoliberale kapitalistische wereld. De heersende klasse van vandaag bestaat uit mensen die kapitaal bezitten, mensen die privé-eigenaar zijn van grote bedrijven, multinationale ondernemingen, fabrieken, banken, winkelketens… Deze mensen hebben geld geïnvesteerd in die bedrijven en ze willen winst maken op die investering. Een machine draait echter niet vanzelf, een bedrijf kan niets doen zonder dat er werknemers arbeid leveren. Daarom betalen ze arbeiders en bedienden een loon om voor hen te komen werken. Die werkers zijn het die de winst voortbrengen. Zij krijgen namelijk slechts een fractie van de door hun gecreëerde nieuwe waarde als loon uitbetaald, de rest blijft zitten in de zakken van de investeerder die het kapitaal geleverd heeft.

Het kapitalisme is in onze tijd heel ver doorgedraaid. Het is een kapitalisme op steroïden geworden. De kapitalistische markt heeft ieder stukje van de wereld in zijn greep gekregen. Van de dorste woestijnen tot de koudste ijsvlaktes en van de diepste oceanen tot de dichtst begroeide regenwouden, de markt verandert alles in koopwaar en alle mensen in werkers en/of consumenten. Ons hele leven wordt beheerst door die markt. Voor iedere behoefte die wij hebben, belooft de markt ons dat wij de juiste bevrediging kunnen kopen. Alles is koopwaar geworden. De enige waarde die dit systeem erkent is de ruilwaarde.

De heersende ideologie in dit systeem is het onvoorwaardelijk geloof in de vrije markt. Deze markt heeft volgens de mythologie een onzichtbare hand die via vraag en aanbod voor ieder probleem een oplossing (en voor iedere oplossing de juiste marktprijs) weet te vinden. Die markt moet kost wat kost volledig vrij zijn, er mogen geen lastige regels en wetten zijn die de markt beperkingen oplegt. Alles moet vrij verhandelbaar zijn, zelfs de meest intieme en de meest heilige dingen in ons leven.

Deze vrije markt eist ook van ons allen dat wij vrije individuen worden. Dat betekent dat we ons bevrijden van alle banden die we hebben met andere mensen. We moeten vrij worden van lastige gewoontes als zorgzaamheid, solidariteit, barmhartigheid of gerechtigheid. We moeten leren om vrij en individueel zoveel mogelijk te consumeren. Zo worden we gelukkig. Dat is wat de ideologie van het neoliberalisme ons voorliegt.

Dat is niet de enige leugen die de neoliberale ideologie ons wil opdringen. Wij worden langs alle kanten gebombardeerd met beelden van mensen die hypergelukkig zijn, mensen die geslaagd zijn in het leven, die succesvol zijn. We krijgen te horen dat die mensen de norm zijn en dat iedereen die niet in dat succesvolle en gelukkige plaatje past, een loser is. We krijgen te horen dat die losers hun lot zelf hebben gezocht, dat ze niet voldoende hun best hebben gedaan om zelf ook succes te hebben. Als we zelf geen loser willen worden, dan moeten we leren om de juiste dingen te consumeren, want de neoliberale markt verkoopt een oplossing voor ieder probleem.

Dit systeem propageert niet alleen de oeroude leugen van de Duivel, namelijk dat de ene mens meer waard zou zijn dan de ander. Ze maakt de mensen dan ook nog eens wijs dat de winners winners zijn door hun eigen verdienste en dat het de eigen schuld van de losers is dat ze losers zijn.

“Ben jij een loser? Ben jij niet succesvol?
Dan ben je minderwaardig. Dan is dat je eigen schuld.
Je had maar beter je best moeten doen.”

Als wij allemaal vrij gemaakte individuen zijn, dan is ons lot volledig afhankelijk van onze eigen keuzes. Als we dus arm geworden zijn of te moe of te bang om nog mee te draaien in de rat race van deze wereld, dan is dat ook het gevolg van onze eigen keuzes. Als we de juiste keuzes maken, de juiste producten consumeren en de juiste handelingen verrichten, stijgt onze waarde in de maatschappij en worden we beloond met een dosis geluk. Als we de verkeerde keuzes maken, dan daalt onze waarde in de maatschappij en worden we ongelukkig. Dat is dan onze eigen schuld. Maar geen nood, we kunnen nog altijd producten consumeren en hopen dat we zo weer een beetje gelukkiger worden.

“Heb jij een laag inkomen? Ben je uit de boot gevallen?
Woon je in een krotwoning?
Dan ben je minderwaardig. Dan is dat je eigen schuld.
Je had maar beter je best moeten doen
en de juiste keuzes maken in je leven.”

Als we te ongelukkig worden, dan kunnen we daar pillen voor kopen. Als we te opgefokt raken, dan kunnen we daar ook pillen voor kopen. Als we het allemaal niet meer zo goed weten, dan is er een hele markt van lifestyle coaches die hun luisterend oor verhuren en daar af en toe ook wat goedbedoelde raad bij verkopen.

“Voel je je niet goed in je vel? Ben je helemaal uitgebrand?
Ben je depressief? Kun je niet meer mee?
Dan ben je minderwaardig. Dan is dat je eigen schuld.
Je moet maar wat meer pillen consumeren
en misschien een lifestyle coach inhuren.”

Als we niet tevreden zijn met ons uiterlijk, dan kunnen we op de markt alles kopen van lipstick en mascara via het hele scala light-producten tot vetverbrandingstoestellen en plastische chirurgie.

“Ben je te dik volgens onze schoonheidsnormen?
Dan ben je minderwaardig. Dan is dat je eigen schuld.
Je moet maar meer light-producten consumeren
en je in een paar fitnessclubs inschrijven.”

Zelfs wanneer we op zoek zijn naar meer spiritualiteit, heeft de markt voor ons allerlei koopklare oplossingen. We kunnen onszelf een eigen religie samenstellen, met de lekkerste stukjes uit alle grote wereldreligies. Een beetje boeddhistische mindfulness combineren met tantrische yoga tegen een achtergrond van gregoriaanse gezangen? De vibraties opsnuiven van edelstenen of de geheimen van de Tarot bestuderen? Eerst een danscursus volgens de Soefi traditie en daarna een meditatiecursus volgens de Joodse Kabala? De vrije individu mag zelf kiezen welke stukjes spiritualiteit ze wil consumeren en de vrije markt levert alle nodige DVD’s, boeken, toverdrankjes en wat je ook maar wil. Tegen de juiste prijs natuurlijk.

“Zit je met een gevoel van spirituele leegte
die je maar niet opgevuld krijgt?
Dan ben je minderwaardig. Dan is dat je eigen schuld.
Je moet maar meer spirituele DVD’s kopen
of nog een paar extra spirituele cursussen volgen.”

De ideologie van de vrije markt noemt zichzelf een meritocratie. Ze beweren dat iedereen krijgt wat ze verdient. Ze zegt dat iedereen, door de keuzes die ze maakt en de producten die ze al dan niet consumeert, zelf verantwoordelijk is voor de situatie waar ze in verzeild is geraakt. Maar ook dat is niets anders dan de zoveelste versie van de duivelse leugen.

Eerst en vooral is onze natuur niet die van een consument. Wij zijn zo veel meer dan de producten die we consumeren. Onze natuur is ook niet die van een werker of een kapitalist. Wij zijn zo veel meer dan de economische positie die we innemen in dit hele systeem. Wij zijn mensen, wezens die op een wonderlijke manier gevormd zijn tot vertegenwoordigers van God in deze wereld.

Het is ook een leugen dat ons lot onze eigen schuld is. Deze maatschappij duwt voortdurend mensen in de armoede. Miljoenen mensen leven in de meest vreselijke omstandigheden. Alleen al in Europa zijn er twintig miljoen mensen die in armoede leven. Duizenden mensen zijn dakloos. Daar komt ook nog eens bij dat het neoliberale kapitalisme, om de meest verleidelijke prijzen te kunnen blijven aanbieden, miljoenen mensen uitbuit in de Derde Wereld. De waarheid is dat dit systeem voortdurend armoede en uitbuiting op grote schaal organiseert en dat het die armoede en die uitbuiting nodig heeft om te blijven functioneren.

Dit systeem veroorzaakt niet alleen massale armoede, het maakt mensen ook kapot door een ondraaglijke stress. Burn-out en depressie zijn ware epidemies geworden. Meer en meer mensen worden gekraakt door de zware rat race van dit systeem. Tien procent van alle Belgen slikken antidepressiva. Het is een leugen dat mensen die zich niet goed voelen, dat aan hun eigen keuzes in het leven te danken zouden hebben. De waarheid is dat dit systeem aan de lopende band mensen psychisch verwondt en breekt.

Maar de belangrijkste leugen in heel deze neoliberale mythologie, is het idee dat mensen minderwaardig zouden zijn. Het idee dat er losers en winners zijn, dat de ene mens meer waard zou zijn dan de andere. De leugen waar alle andere leugens van het neoliberalisme op rusten, is de eeuwenoude leugen van de Duivel.

De enige reden waarom wij al deze leugens blijven geloven, is omdat we vergeten wat de enige echte waarheid is. Wij vergeten dat wij mensen zijn, dat de God van de Eenheid en de Harmonie ons heeft gevormd uit klei en in ons Zijn Levenbrengende Geest heeft ingeademd. Wij vergeten dat wij de perfecte wezens zijn om God te vertegenwoordigen op deze wereld. Wij vergeten dat het juist daarom onze fitra, onze menselijke natuur is om goed te zijn voor anderen, om solidair te zijn en op te komen voor rechtvaardigheid.

Waarlijk, wij hebben
de mens in de beste vorm geschapen.

(Koran 95:4)

Wij vergeten dit alles omdat we voortdurend gebombardeerd worden met de leugens van de Duivel.

De weg terug

Daar staan we dan. Voortdurend bestookt met de verschillende versies van de duivelse leugen. Eerst die van de heersende klasse, die ons wijsmaken dat zij meer waard zijn dan wij. Daarbovenop de leugens van de theologen van de macht, die ons willen doen geloven dat goedgelovige mensen meer waard zijn dan kritische dwarsliggers. Dan ook nog de leugens van de zuiverheidsaanbidders, die ons bezweren dat alleen de meest zuivere volgelingen van hun profeet enige waarde hebben. En tenslotte de leugens van het neoliberale kapitalisme dat ons, tegen de juiste prijs natuurlijk, de onzin wil verkopen dat iedereen er zelf voor kiest om een winner of een loser te zijn.

“Behoor jij niet tot de elite zoals wij?
Dan ben je minderwaardig, want wij hebben de macht.”

“Ben jij een vrouw? Ben je queer?
Dan ben je minderwaardig. Alleen echte mannen tellen mee.”

“Weiger jij om je aan onze religie aan te passen?
Weiger jij te geloven dat de heersers van deze wereld
door God zelf zijn aangesteld?
Weiger jij om die heersers te gehoorzamen?
Dan ben je een ketter en dan ben je minderwaardig.
Zeg dat God het gezegd heeft.”

“Ben jij niet de perfecte volgeling van onze profeet?
Wijk je ergens een beetje af van het zuivere pad?
Denk je op een andere manier over zijn leer dan wij?
Dan ben je een afvallige en dan ben je minderwaardig.
Alleen zuivere gelovigen zijn waardig in Gods ogen.”

“Ben je niet volmaakt?
Werk je niet genoeg? Consumeer je niet genoeg?
Kun je niet mee in dit systeem?
Dan ben je een loser en minderwaardig.
Dat is je eigen schuld.
Werk harder en consumeer meer.
Dan komt het misschien in orde.”

Het is bijna onmogelijk om tussen heel die kakofonie van liegende stemmen, die kalme maar zekere stem van de waarheid te onderscheiden. Toch is dat precies wat we moeten doen. We hebben geen keuze. We moeten opnieuw leren luisteren naar de profetische boodschap.

Geloof de leugen van de Duivel niet.
Hij wil ons wil wijsmaken
dat sommige mensen meer waard zijn dan anderen.

Besef dat wij allemaal door God geschapen zijn en gewenst.
Besef dat God ons in deze wereld heeft gevormd
uit nietige klei waarin Hij zijn Geest geademd heeft.
Besef dat God ons allemaal heeft gewenst in deze wereld
en dat niemand hier overbodig is.
Besef dat God ons allemaal heeft bedoeld
om als vertegenwoordigers te leven
van Zijn Barmhartigheid en Zijn Scheppingskracht.

Besef dat God niets liever wil
dan solidariteit, vrede en gerechtigheid
voor alle schepselen in deze wereld.
Besef dat God droomt van een wereld
waar iedereen goed is voor mekaar.

Wij moeten opnieuw leren beseffen dat God elk van ons in deze wereld heeft gewild. Ieder van ons is een unieke mens. Ieder van ons kan een unieke bijdrage leveren aan hoe deze wereld zal worden. Ieder van ons heeft talenten en vaardigheden die op een unieke manier in haar ontwikkeld zijn en ieder van ons heeft zwakheden en fouten die door de talenten en de vaardigheden van haar kameraden kunnen worden opgevangen. Wij zijn allemaal geschapen om op onze eigen unieke manier God te vertegenwoordigen in deze wereld.

Deze kalme maar zekere stem van de waarheid, de stem die ons voortdurend wil herinneren aan de profetische boodschap en aan onze echte menselijke natuur, is er voortdurend, maar ze wordt voortdurend overschreeuwd door alle leugenachtige stemmen van deze wereld. Om de stem van de waarheid te leren horen, is het dus best om de stilte op te zoeken.

We zoeken dus best een plaats die ver weg is van al het fysieke en psychologische lawaai van deze wereld. We kunnen bijvoorbeeld in een bos gaan wandelen, of tussen de velden, ver weg van de stad. Maar we kunnen ook in de stad zelf een vredige plek opzoeken, bijvoorbeeld een moskee of een kerk.

Als we een plek gevonden hebben waar we ons op ons gemak voelen en waar het stil genoeg is, dan moeten we ook een goed moment zoeken. We moeten een tijdstip vinden waarop we niet gestoord kunnen worden. We moeten ook voldoende tijd hebben, we zullen de stem van de waarheid nooit kunnen horen als we te gehaast zijn.

Als de plaats en de tijd goed zijn, dan kunnen we proberen om het stil te maken in onszelf. Dat kan best moeilijk zijn, zeker in het begin. Vanaf het moment dat we stil zitten, beginnen de gedachten door ons hoofd te razen. De meest gekke dingen komen ineens in onze geest op. We denken aan een reis lang geleden, aan het eten dat we nog moeten klaarmaken of aan iets wat een buurvrouw een paar dagen geleden zei. Dat is niet erg. Onze hersenen zijn het in deze wereld niet meer echt gewend om stil te zijn, dus moeten we ze daar een beetje in trainen.

Het helpt bijvoorbeeld om op je adem te letten. Wanneer je inademt, let je er op hoe het voelt dat je buik en borst ruimer worden. Je let op het gevoel van de lucht die door je neus of mond naar binnen komt en daardoor adem wordt. Wanneer je uitademt, merk je hoe je borst en je buik weer wat inkrimpen. Je voelt dat de adem je lichaam via je neus of je mond verlaat om zich weer met de rest van de lucht te vermengen. Als je langzaam ademt, dan merk je dat je langzaam ademt. Als je diep ademt, dan merk je dat je diep ademt. Als je snel ademt, dan merk je dat je snel ademt.

Wanneer je je aandacht op je adem richt, dan vuren je hersenen minder snel nieuwe ideeën op je af. Het is een beetje als een hond die een bot krijgt om aan te knagen en daardoor minder enthousiast overal rond springt. Dat wil niet zeggen dat je tijdens zo’n ademhalingsoefening nooit afgeleid wordt door allerlei gedachten, maar het helpt in elk geval wel.

Wanneer je er na een tijdje in slaagt om het een paar minuten echt stil te maken in jezelf, dan kun je je oefenen in het luisteren naar de stille maar zekere stem van de waarheid. Dat zal in het begin helemaal niet gemakkelijk zijn. Het zal zelfs onwennig zijn om helemaal stil te zitten. Maar eens je een klein beetje van die zoete stem hebt gehoord, weet je dat het de waarheid is. Als je jezelf traint en het regelmatig stil maakt in jezelf, dan zul je die stem beter en beter leren kennen.

Wanneer je dan opnieuw de boodschap van de profeten hoort, dan zul je die boodschap meteen herkennen. Gelijk welke taal ze spraken, alle profeten brachten geen andere boodschap dan hetgeen de stem van de waarheid in ons binnenste voortdurend herhaald:

Waarlijk, wij hebben
de mens in de beste vorm geschapen.

(Koran 95:4)

“Jij bent gewenst en geschapen
door de God van de Eenheid en de Harmonie,
die jou uit klei heeft gevormd
en jou Zijn Levenbrengende Geest heeft ingeademd.

Jij en ik en alle mensen zijn gewenst en geschapen
om vertegenwoordiger van de Barmhartige God te zijn
in deze wereld.

Daarom is het onze natuur
om goed voor mekaar te zijn
en ons te verzetten tegen onrecht.”

Wanneer we deze waarheid terugvinden, wanneer we eindelijk de stem van die waarheid kunnen horen, dan kunnen al die leugenstemmen ons niets meer wijsmaken. Wij zijn waardevol, allemaal. Niemand is meer waard dan een ander. Iedereen is gewenst zoals ze is. En al wie het tegendeel beweert, die gelooft liever de leugens van de Duivel dan de Oneindige Wijsheid van de God die ons gevormd heeft.

Jij bent waardevol

Dit gaat eigenlijk over jou. Ja over jou persoonlijk. OK, het gaat ook over heel veel andere mensen. Dat klopt. Maar het gaat vooral over jou.

Jij bent de persoon die door God gewenst is en geschapen, gevormd uit klei en gezegend met Gods Levenbrengende Geest. Jij bent de mens voor wie de engelen zich buigen. Jij bent de mens aan wie God alle namen van alles in de wereld wil leren. Jij bent dat wonderlijke wezen met spiegelneuronen die je buitengewoon empathisch en altruïstische maken en met die extreem grote prefrontale hersenkwam die jou superintelligent maakt.

Maar jij bent ook de mens voor wie de engelen vreesden. Jij bent het wezen over wie de engelen dachten dat het in staat zou zijn tot bloedbaden, oorlogen en milieurampen. Jij bent ook de mens over wie Iblis gezworen heeft dat hij haar nooit met rust zou laten, dat hij steeds opnieuw en van alle kanten dezelfde leugen zou herhalen.

Daarom wil ik jou persoonlijk aanspreken. Jij en ik. Van mens tot mens. Ik wil je op het hart drukken om nooit meer te vergeten wie je eigenlijk bent. Laat niets of niemand je ooit nog wijsmaken dat je waardeloos zou zijn. Laat niets of niemand je wijsmaken dat de ene mens meer waard zou zijn dan de andere.

Besef dat jij volmaakt bent zoals je bent. Het maakt echt niet uit tot welke klasse behoort of wat je gender of je huidskleur is. Het maakt niet uit hoeveel je bezit of hoe succesvol je bent in wat je doet. Het maakt niet uit of je hetero bent of queer. Het maakt helemaal niet uit wat mensen over je zeggen of denken. Jij bent volmaakt zoals je bent.

Wil dat zeggen dat je niet mag veranderen? Natuurlijk niet. In tegendeel. Wij zijn allemaal voortdurend aan het veranderen. Verandering is het meest natuurlijke wat er is. Maar wat je ook aan jezelf wil veranderen, blijf je er steeds van bewust wat je ware natuur is.

Jij bent gewenst en geschapen door de God van de Eenheid en de Harmonie. Je bent in de best mogelijke vorm gevormd om de belangrijkste rol te spelen die er bestaat: jij bent de perfecte mens om God te vertegenwoordigen in deze wereld.

Laat niemand je ooit nog wijsmaken dat het niet zo is.

En moest het toch ooit nog gebeuren, dat je door het gewoel van deze wereld, door de kakofonie van leugenstemmen overal om je heen, dreigt te vergeten wat de belangrijkste waarheid is, dan kun je nog steeds bidden.

God,
Jij die Jezelf openbaart als de Barmhartige, de Erbarmer,
help mij om Barmhartigheid te vinden.
Ontferm Je over mij.

Ik weet dat ik Jouw schepsel ben,
dat Jij mij hebt gewenst en geschapen.

Ik weet dat Jij uit nietige klei mijn wezen hebt gevormd
tot een teken van Jouw Barmhartigheid in deze wereld.

Ik weet dat Jij in mij
Jouw Levenbrengende Geest hebt ingeademd
zodat ik zelf leven kan geven in de wereld om me heen.

Ik weet dat Jij mij hebt bedoeld zoals ik ben,
want zo ben ik het meest geschikt
om aan Jouw droom bij te dragen
en te werken voor Jouw nieuwe wereld.

Geef mij de kracht
om me aan deze waarheid vast te blijven houden.

Herinner me er aan, keer op keer opnieuw,
dat ik precies de mens ben die Jij van mij had gewenst.

Help mij om,
wat er ook gebeurt
en welke leugens ook verteld worden,
steeds te blijven inzien dat dit is wie ik ben.

Leer mij
op niets dan die waarheid
te vertrouwen.

Het verhaal van Karbala

Het verhaal van Imam Hoessein en de martelaars van Karbala (moge God hen allen vrede schenken) mag nooit vergeten worden.

Hij was de kleinzoon van de profeet Mohammed (moge God hem vrede en zegeningen schenken). De zoon van Fatima en Ali (moge God hen beiden vrede schenken). De broer van Hassan en Zaynab (moge God hen beiden vrede schenken). Hij werd geboren in de meest edele familie van zijn tijd.

De nieuwe heersers in Damascus

Een halve eeuw na de dood van zijn grootvader, de profeet die het Arabische volk had geleid in de Islamitische revolutie tegen de heersende klasse in Mekka, werd die revolutie verraden. De nazaten van de vroegere heersers waren erin geslaagd om hun macht opnieuw te vestigen en om de Islamitische samenleving om te vormen tot een monarchie. Alle bevrijdende idealen van de Islamitische revolutie werden nu bedreigd door de nieuwe heerser: de tirannieke khalief Yazid, zoon van de vorige tirannieke khalief Moe’awija en kleinzoon van Abu Soefjan die voor de revolutie heerste over Mekka. De vader van die nieuwe khalief was erin geslaagd om vanuit zijn dure en luxueuze paleis in de nieuwe hoofdstad Damascus alle macht in de islamitische wereld naar zich toe te trekken.

Hoewel hij voordien door Ali, de vader van Hoessein, militair was verslagen bij zijn eerste poging tot staatsgreep, had hij na de dood van Ali de meerderheid van de nieuwe machtige moslims achter zich gekregen en was hij khalief geworden. Hij had van die macht gebruik gemaakt om alles wat ook nog maar een beetje herinnerde aan de revolutionair Ali en zijn politiek van gelijkheid, vrijheid en solidariteit, te vernietigen. Hij had zelfs in alle moskeeën van het land verplicht gemaakt om tijdens iedere vrijdagpreek Ali en zijn familie te vervloeken.

Toen die dictator Moe’awija zijn eigen einde voelde naderen, had hij zelf zijn eigen zoon als nieuwe khalief benoemd en op die manier de macht van zijn familie veilig gesteld en tegelijk de islamitische samenleving veranderd in een monarchie waar de heerser door erfrecht en niet door verkiezingen werd aangeduid.

In verschillende steden, daar waar het vertrouwen in de oorspronkelijke bevrijdende Islam nog steeds heel sterk was onder het volk, waren er plannen voor een opstand tegen de tiran uit Damascus en zijn nieuwe heersende klasse van steenrijke handelaars, grondbezitters, militairen en politici. De oudere generatie moslims hadden zelf nog de tijd van de Profeet meegemaakt en herinnerden zich nog heel goed waar de revolutie om draaide: gerechtigheid, bevrijding, solidariteit.

Zij herinnerden zich nog als de dag van gisteren hoe de neef en schoonzoon van de Profeet, Ali, deze idealen in de praktijk bracht in de tijd dat hij khalief was. En ze zagen hoe de nieuwe elite in Damascus die revolutionaire waarden vertrappelde. Ook jonge vrijheidslievende Moslims zagen hoe hun vrijheid door Yazid en zijn handlangers meer en meer werd bedreigd.In Mekka en Medina begonnen groepen moslims zich te organiseren om in opstand te komen. Ook in de hoofdstad

Damascus zelf waren er regelmatig rellen. Daar waren veel moslims nog niet vergeten hoe de rebelse moslimleider Abu Dhar al Ghifari (moge God tevreden met hem zijn) hen een aantal jaar daarvoor had geleid in verschillende opstanden tegen Moe’awija, die toen nog gewoon gouverneur was van Syrië, en zijn neef Marwan de Bedrieger. In Koefa, de garnizoensstad in Irak waar Ali jarenlang had verbleven, stonden de opstandelingen het sterkst. Zij lieten weten dat ze bereid waren om zich militair tegen de nieuwe heersers te verzetten.

De militairen van de khalief traden echter bloedig op tegen de meeste van die opstanden. Honderden moslims werden vermoord door een onderdrukker die van zichzelf beweerde dat zijn heerschappij islamitisch was.

De opstandelingen in Koefa

Hoezeer de tirannen ook hun best deden en hoeveel lichamen van opstandelingen ze ook vermoordden, de geest van de opstand, het diepe verlangen naar gerechtigheid bleef almaar verder leven. In Koefa, de stad van de rechtvaardige khalief Ali, werd de militaire opstand verder voorbereid. Zij nodigden Hoessein uit om de leider van deze opstand te worden.

Hoessein wilde weten wat er precies in Koefa gebeurde en zond zijn neef en kameraad Moeslim ibn Aqil als boodschapper naar die stad. Hij moest daar uitzoeken hoe de situatie precies in mekaar zat en hoe realistisch de plannen van de bewoners waren. Toen zijn neef in Koefa aankwam, werd hij er warm ontvangen door de mensen. Hij voelde hun passie, hun diepe verlangen naar vrijheid en gerechtigheid, naar een nieuwe revolutie. Hij ontmoette hun leiders, vurige en bekwame mensen die een sterke beweging hadden georganiseerd. Toen schreef hij een brief naar Hoessein waarin hij vertelde dat alle voorwaarden in Koefa perfect waren. Hij nodigde zijn neef uit om ook te komen en om de Moslims van Koefa te leiden in hun gewapende opstand tegen de nieuwe monarchie.

Toen Hoessein deze brief van zijn neef ontving, maakte hij meteen alles klaar om samen met zijn familie en een handvol kameraden af te reizen. Samen verlieten ze Medina, de stad van de profeet waar de islamitische revolutie destijds begonnen was, en gingen ze op weg naar Koefa. Eerst maakten ze echter een omweg via Mekka. Daar wilden ze een pelgrimstocht naar de Kaäba houden, het kubusvormige gebouw dat volgens de legende door Abraham (moge God hem vrede schenken) was gebouwd en dat later door de moslims, onder leiding van de Profeet Mohammed, was vrijgemaakt van de afgoderij van de Mekkaanse heersers. Bij die Kaäba sprak Hoessein ook de mensen toe. Hij herhaalde nogmaals dat iemand als hij zich nooit zou onderwerpen aan iemand als Yazid en dat hij liever zou sterven voor God en voor de vrijheid dan te leven voor de macht van een dictator. Iedereen die hem hoorde, wist dat de kleinzoon van de profeet heel ernstig was. Iedereen begreep dat hij er rekening mee hield dat Yazid hem zou willen vermoorden.

Wat Hoessein nog niet wist, was dat de nieuwe gouverneur in Koefa, een wrede handlanger van Yazid, ontdekt had dat de moslims een opstand aan het voorbereiden waren. Zijn spionnen hadden hem de namen verteld van de leiders van de beweging. Honderden moslims werden gearresteerd, velen van hem werden vermoord door de strijdkrachten van de staat. Tegen de tijd dat de kleinzoon van de Profeet met zijn kameraden in de stad aankwam, was de beweging van opstandige moslims in bloed gesmoord. Alle moslims die niet in de klauwen van Yazid en zijn gouverneur waren terechtgekomen, waren doodsbang geworden voor de beulen van de khalief. Ze durfden zelfs niet meer uit hun huizen komen om de leider van hun opstand, de man die ze zelf hadden uitgenodigd, te verwelkomen. Hoessein kwam aan in een stad met lege straten, met huizen waarvan deuren en ramen gesloten bleven.

Diep teleurgesteld verlieten Hoessein en zijn kameraden de stad van Ali. Aangezien ze in Koefa niet konden blijven, trokken ze dan maar de woestijn in. Niemand van hen had er een idee van hoe het verder moest. De beweging van de moslims leek volledig verpletterd door de beulen van het geld en de macht. De revolutionaire droom van eenheid, solidariteit, rechtvaardigheid en bevrijding, de kern van de beweging van de moslims, leek helemaal uitgestorven en vervangen door de nieuwe elitaire droom van rijkdom, persoonlijke status en macht. Een handvol trouwe moslimkameraden, dat leek al wat er nog overbleef van die eens zo sterke beweging die door Gods Boodschapper was gesticht. Een handvol moslims die nu wanhopig door de woestijn trokken, zonder een duidelijk doel voor ogen.

In de woestijn bij Karbala

Het leek erop dat de hele beweging nu snel vergeten zou zijn. Het zag er naar uit dat zij zelf, de familie van de Profeet en hun dichtste kameraden, zouden verdwijnen in de uitgestrekte woestijn. Het leek alsof Gods Droom van een wereld gebouwd op solidariteit, gerechtigheid en bevrijding zou verdwijnen zonder een spoor na te laten. Maar God had een ander plan met Hoessein en zijn kameraden. Zij zouden allemaal, elk op hun manier, martelaars worden, eeuwig levende getuigen van Gods Heilige Droom van gerechtigheid en vrede, van Haar Heilige pad van verzet en opstand tegen onderdrukking en tirannie. Terwijl ze door de woestijn trokken, werden Hoessein en zijn kameraden vlakbij de stad Karbala onderschept door de militairen van Yazid. De paar dozijnen moslims waren al snel omsingeld door de duizenden militairen die eisten dat ze zich overgaven aan de macht van de khalief. Maar de kleinzoon van Gods Boodschapper en zijn kameraden weigerden om te buigen voor die nieuwe monarchie. Zij waren moslims, ze bogen voor niemand anders dan God. Niemand van hen gaf toe aan de eisen van het leger.

De generaals van Yazid aarzelden. Ze hadden de opdracht gekregen om Hoessein en zijn kameraden met geweld tot gehoorzaamheid te dwingen, maar de moslims weigerden koppig om zich aan de nieuwe heersers te onderwerpen. De generaals waren bang om geweld te gebruiken, want ze begrepen dat een aanslag op het leven van de kleinzoon van Gods Boodschapper hen nog minder populair zouden maken dan ze al waren. De situatie kwam vast te zitten in een vreemde patstelling. Een handvol moslims stonden tegenover een volledig uitgerust leger van de khalief.

Doordat Hoessein en zijn kameraden door het leger van de khalief omsingeld waren, waren ze ook afgesneden van iedere bron van voedsel of drinkwater. Hun voorraad raakte snel op. Het leek er steeds meer op dat er maar twee opties meer waren: ofwel gaven ze zich over aan het leger van de khalief en aan het systeem van uitbuiting en onderdrukking dat die verdedigden ofwel zouden ze een langzame dood sterven door honger en dorst. Het leek alsof er maar twee mogelijkheden waren: leven onder de dictatuur van de nieuwe heersers of sterven in een vergeten uithoek van de woestijn, ver weg van de spotlights van de geschiedenis.

Maar Hoessein en zijn kameraden hadden door dat dit een valse keuze was. Zij waren allemaal opgevoed in de school van de Profeet Mohammed, van zijn dochter Fatima en haar man Ali. Zij wisten wat de beste van alle mogelijke opties was. Zij begrepen dat er nog een andere weg bestond. Koppig bleven ze weigeren om zich aan Yazid te onderwerpen en ondertussen groeiden de tegenstellingen tussen de officieren van de khalief. Sommigen van hen verloren hun ongeduld en wilden zo snel mogelijk overgaan tot een aanval om zo een einde te maken aan die vervelende patstelling. Anderen wilden de moslims nog wat tijd geven of met hen onderhandelen. Hoe langer het beleg bleef duren, hoe dieper die tegenstellingen werden.

Toen de meest ongeduldige officieren het niet langer uithielden en tot de aanval overgingen, kwam generaal Hor ibn Yazid Al-Tamimi in opstand tegen hun beslissing. Hij had verschillende keren geprobeerd om met Hoessein te onderhandelen en was meer en meer onder de indruk geraakt van de vastberadenheid waarmee die leider van de moslims keer op keer kalm zijn standpunt uiteen zette. Toen de andere generaals besloten om dat handvol moslims met hun militaire overmacht te verpletteren, kon Hor het niet langer met hen uithouden. Hij verliet het leger van Yazid en ging naar het kamp van de moslims om samen met hen de familie van de Profeet tegen de militairen te verdedigen. Dertig soldaten gingen met hem mee. Dertig moedige strijders wiens geweten sterker was dan de bevelen van een corrupte khalief. Met deze dertig soldaten erbij, hadden de moslims een legertje van honderd mensen. Iedereen wist dat ze militair gezien geen kans maakten tegen de 5000 militairen van Yazid. Maar Hoessein en zijn kameraden wisten dat hun overwinning veel sterker zou zijn dan om het even welke militaire overwinning ooit zou kunnen zijn.

Het begin van het bloedbad

Toen de militairen van de khalief tegen de avond van de negende dag de aanval wilden beginnen, stuurde Hoessein zijn broer Al-Abbas ibn Ali naar het vijandige kamp met de vraag om de aanval uit te stellen tot de ochtend zodat de moslims nog in alle rust het avondgebed konden bidden. Na het gebed sprak hij zijn kameraden toe en zei dat iedereen die dat wenste, vrij was om in de duisternis te vertrekken en zo te ontkomen aan een zekere dood. Niemand van zijn kameraden wilde hem echter in de steek laten. Toen bad hij samen met alle moslims die bij hem waren:

“O God!

Ik dank U dat U ons geëerd hebt
door ons een Profeet te zenden,
dat U ons de Koran hebt geleerd
en ons de juiste levenswijze hebt aangeleerd.

Ik dank U dat U ons ogen, oren,
en een hart hebt gegeven
en dat U ons hebt beschermd
tegen de vervuiling van de afgoderij.

Ik dank U dat U ons op die manier
de mogelijkheid hebt gegeven
om U dankbaar te zijn.”

 

De volgende dag besloot Hoessein om als onderhandelaar naar het vijandige leger te gaan en hen te smeken om toch maar water te mogen halen. Als teken van zijn vredevolle bedoelingen en in de hoop dat de militairen toch mededogen zouden tonen voor de zwaksten in zijn familie, nam hij zijn jongste zoon, Ali al Asghar ibn Hoessein, de kleine Ali, met zich mee. Als de khalief, zijn officieren en zijn soldaten beweerden dat ze moslims waren, dienaars van de Barmhartige en Erbarmende God, dan zouden ze toch medelijden moeten tonen met een onschuldig kind. Maar de militairen kenden geen mededogen. Ze hadden het bevel gekregen om de toegang tot het water van de Eufraat streng te bewaken. En bevel is bevel.

Om Hoessein en zijn jonge zoontje weg te jagen, schoten ze pijlen op hen af. Een van de pijlen trof de kleine Ali in zijn nek, waardoor het kindje dodelijk gewond werd. De kleine Ali was nog geen jaar oud toen hij in Karbala door het leger van de nieuwe machthebbers werd vermoord. Hij werd de jongste martelaar van deze verschrikkelijke veldslag.

Toen de leider van de moslims in tranen met zijn vermoorde zoontje terugkwam bij zijn kameraden, begreep iedereen dat met deze wrede militairen niet te onderhandelen viel. Er zat niets anders op dan zich gewapend te verdedigen tegen deze bruten. Iedereen besefte dat dit militair gezien een onmogelijke zaak was. Iedereen wist heel goed dat ze door het leger van de vijand vermoord zouden worden, dat ze hun levende getuigenis van Gods visioen van gerechtigheid, door hun dood zouden moeten bevestigen. In plaats van te buigen voor een systeem van heerschappij en onderdrukking of van de langzame dood door honger en dorst, besloten ze samen om eeuwig levend de geschiedenis in te gaan.

De meest strijdvaardige kameraden van Imam Hoessein maakten zich klaar om gewapend ten strijde te trekken. Omdat er in het kamp ook jonge kinderen en vrouwen aanwezig waren die geen enkele militaire ervaring hadden, besloten de moslims om niet te wachten tot de vijand hen daar zou overvallen. De ene moslim na de andere trok er op uit, klaar om de linies van de onderdrukker gewapend te bestormen. Allemaal wisten ze zeker dat ze vermoord zouden worden door die militaire overmacht. Maar ze vertrouwden ook allen op de belofte van God.

“En zeg niet over diegenen die gedood werden
op de weg van God dat ze dood zijn.
Nee. Ze leven, maar jullie merken dat niet.”

(Koran, Soerah Al Baqarah 2:154)

 

Zij weigerden om zich te onderwerpen aan de onderdrukkers en ze weigerden een zinloze dood te sterven als slachtoffers van die onderdrukkers. Zij werden niet gedood als passieve slachtoffers van de militaire overmacht van hun vijanden. Door zelf te kiezen om hun tegenstanders op het slagveld tegemoet te gaan, door de militairen van Yazid recht in de ogen te kijken en niet weg te vluchten van hun lot, door hun keuze om de ultieme prijs te betalen voor hun vertrouwen in de Ene, God van de Gerechtigheid, de Bevrijding en de Solidariteit, dwongen ze hun moordenaars om zichzelf te ontmaskeren en om hun ware gelaat te tonen aan de geschiedenis: het gelaat van een satanische kracht die er op uit was om de beweging voor Solidariteit, Rechtvaardigheid en Vrede te verpletteren.

Doordat ze ervoor kozen om te leven voor de Ene, God van de Gerechtigheid, zelfs als dat betekende dat ze afgeslacht zouden worden door de dienaars van de goden van macht, oorlog, hebzucht en ego, werden ze levende getuigen van hun vertrouwen in hun God. Zelfs al zou het leger van Yazid hun lichamen afslachten, hun getuigenis werd die dag onsterfelijk gemaakt.

De weg naar het martelaarschap

De eerste moslim die gewapend ten strijde trok tegen de militaire macht, was Ali Al-Akbar ibn Hoessein, een andere zoon van Hoessein. Eerst wou zijn vader hem niet laten gaan. De jonge man was nog maar achttien jaar oud. Toch wist hij zijn vader te overtuigen dat het beter was om als martelaar, als getuige van Gods Gerechtigheid, de vijand recht in de ogen te kijken dan dat hij in het kamp zou wachten tot de vijand hem zelf kwam afmaken. Toen hij zijn vaders toestemming had gekregen, ging hij afscheid gaan nemen van de rest van zijn familie. Daarna was hij klaar om zijn eigen lot in handen te nemen. Fier rechtop reed hij op zijn paard de vijand tegemoet.

Op het slagveld bewees Ali Al-Akbar dat hij zelf ook een goede strijder was. Hij sloeg moedig van zich af en versloeg zeker enkele tientallen militairen uit het leger van de khalief. Niemand durfde hem te benaderen, iedereen was bang voor hem. De achttienjarige jongen was de schrik van al die doorwinterde militairen. Oemar ibn Sa’ad, één van de officieren in het leger van Yazid, spoorde zijn troepen toen aan om deze jongeman te vermoorden: “Als Ali dood is, zal Hoessein zelf zeker niet meer verder willen leven. Ali is voor hem zijn hele leven. Dood Ali en de veldslag is gewonnen.” Toen gooide één van de militairen van op een afstand een speer die de jongen dodelijk trof in de borst. Net als zijn jonge broertje, werd ook de grote Ali door een lafaard uit het leger vanop een afstand vermoord.

Terwijl de veldslag aan de gang was, kreeg Al-Abbas ibn Ali, de broer van Hoessein, de opdracht om in het geheim toch water te halen in de Eufraat om zo op zijn minst de kinderen in het kamp te drinken te kunnen geven. Abbas was een moedige en intelligente man en hij zou gemakkelijk in staat geweest zijn om de blokkade van de rivier militair te beëindigen, maar Hoessein gaf hem de opdracht om zo weinig mogelijk geweld te gebruiken. Hij wilde het geweld niet laten escaleren. Daarom had Abbas alleen een speer en een lege waterzak mee toen hij naar de Eufraat vertrok. Toch slaagde hij erin om tot bij de rivier te komen en de zak met water te vullen. Hoewel hij bijna omkwam van de dorst, wilde hij zelf niet drinken voor hij het water bij de mensen in het kamp had gekregen. Op de terugweg werd hij echter in de rug aangevallen. De militairen hakten zijn arm af, maar Abbas ging onverstoord verder. Hij moest en zou de kinderen in het kamp te drinken geven. Toen hakten ze zijn andere arm af. Hij raapte de waterzak met zijn mond terug op en trok verder naar het kamp.

Toen schoten de militairen pijlen op hem af. Eerst werd de waterzak geraakt waarbij het kostbare water op de grond stroomde. Niet veel later raakte een pijl Abbas zelf in het oog en viel hij dodelijk gewond neer.

De martelaarsdood van Imam Hoessein

Toen al zijn kameraden één voor één door het leger van de vijand werden vermoord, besloot Hoessein om zelf een laatste aanval te wagen. Net als zijn zoon Ali Al-Akbar drong hij diep door in het vijandelijke leger en versloeg hij tientallen militairen van de onderdrukkers. Hij versloeg de elite van het leger van Yazid en veroorzaakte verwarring en chaos rondom hem. Hij stond alleen tegenover een leger van duizenden soldaten, maar heel even leek het er zelfs op dat hij dat leger zou verslaan. Niemand durfde hem te benaderen. Iedereen was bang van hem. Daarbovenop beseften alle militairen dat deze man de kleinzoon was van Gods Boodschapper, de zoon van Ali en Fatima.

Omsingeld door de beulen van de onderdrukkers riep Hoessein luid:

“Wee jullie, handlangers van de dynastie
van Aboe Soefjan ibn Harb!

Als jullie dan echt geen greintje respect hebben
voor de religie van Mohammed
en als jullie niet bevreesd zijn
voor de Dag van de Opstand,
wees dan op zijn minst nobel
in deze wereldorde,
als jullie er tenminste trots op zijn
dat jullie Arabieren zijn.”

 

Het gevecht bleef doorgaan, tot Hoessein zo zwaar gewond was dat hij even moest rusten. Het was een erezaak onder Arabieren om een gewonde vijand een korte pauze te gunnen, maar één van de militairen gooide een steen naar hem die hem hard raakte tegen het hoofd. Toen schoot een ander een pijl af, recht in de borst van de kleinzoon van de Profeet. Toen bad Hoessein tot God:

“In naam van God
en van de religie van Gods Boodschapper!
O God! U weet dat zij een unieke man vermoorden,
de zoon van de dochter van de Profeet.”

 

Toen trok hij zelf de pijl uit zijn borst, waardoor hij hevig begon te bloeden. Maar zelfs toen stopten de militairen niet met hun geweld. Iemand sloeg hem met zijn zwaard tegen het hoofd. Aangezien geen enkele militair zelf de verantwoordelijkheid durfde dragen voor de moord op Hoessein, besloten ze om hem van dichtbij te omsingelen en hem samen te doden.

Net op dat moment kwam Abdullah, de zoon van Hoesseins broer Hasan, aangesneld uit het kamp. De jongen was nog maar een kind, maar hij kon het niet aanzien dat zijn zwaargewonde oom door de beulen werd omsingeld. Hij kwam aangesneld om zijn oom te redden, maar werd zelf vermoord door de beulen van de onderdrukker. Toen een militair probeerde om Hoessein te doden, probeerde Abdullah hem met zijn jonge arm tegen te houden. Zijn arm werd afgehakt. Hoessein omarmde zijn neefje om hem te troosten, maar de arme jongen werd geraakt door een pijl en stierf in de armen van Hoessein.

Door de dood van zijn neefje was Hoessein zo verontwaardigd dat hij nieuwe moed vond. Hij slaagde erin om zijn paard opnieuw te bestijgen en om verder te vechten tegen de militairen. De beulen bleven hem aanvallen, maar hij hield stand tot het laatste ogenblik. Toen viel hij opnieuw van zijn paard en strompelde hij naar een boom die vlakbij de Eufraat groeide. Toen hij naar de rivier wou kruipen om water te nemen, kreeg hij een pijl in zijn nek.

Vlak voor hij werd vermoord, vroeg Hoessein nog om toestemming om het middaggebed te bidden. De officieren van de khalief gaven hem de toestemming en Hoessein bad zijn laatste gebed. Toen hij echter voorovergebogen zat met het hoofd tegen de grond, in de meest intieme houding van het hele gebed, werd hij verraden. Een officier uit het leger van de onderdrukker, een schurk die het niet waard is dat zijn naam hier wordt vermeld, hakte het hoofd af van de biddende Imam.

Toen nam hij het hoofd en hield dat voor iedereen zichtbaar in de lucht. Dat was het teken voor de andere militairen om het verdoofde lichaam van de Imam te plunderen en alles van waarde dat hij bij had, tot zijn kleren toe, onder mekaar te verdelen.

Het getuigenis van de overlevenden

In totaal hadden de beulen van Yazid op die dag meer dan zeventig moslims vermoord. Veel van hun slachtoffers warenfamilieleden van Hoessein. Onder hen waren er verschillende kinderen. Maar niet alle kameraden van Hoessein werden afgeslacht. Toch werden ze die dag allemaal martelaars. Het woord martelaar (shahid) betekent namelijk “getuige”. Dat vergeten we vaak. Iedere moslim die aanwezig was bij deze slachtpartij werd een getuige van het verzet van de moslims, van hun inzet voor het Goddelijk Visioen van Vrede en Gerechtigheid, Bevrijding en Solidariteit.

Zaynab bint Ali, de zus van Hoessein, overleefde het bloedbad. Samen met de andere overlevenden werd ze gevangen genomen en gedeporteerd naar de hoofdstad Damascus. Deze levende martelaars werden gedwongen om te voet te stappen van Karbala, waar hun geliefden en kameraden waren afgeslacht, naar het paleis van de heerser Yazid. Het hoofd van Hoessein werd op een stok gespietst en werd als een trofee meegedragen.

Maar door Zaynab en de anderen in leven te laten, had Yazid een grove fout gemaakt. Hij snapte niets van het mysterie van het martelaarschap. Hij had niet door dat het voor hem als dictator beter was om geen enkele getuige in leven te laten. Toen Zaynab en haar kameraden aankwamen in Damascus, begonnen ze te spreken. Ze konden niet langer zwijgen over de horror die ze in Karbala hadden meegemaakt. Overal waar ze de kans kregen, vertelden ze het verhaal van de wreedheden die werden aangericht om het verzet tegen de nieuwe heersers de kop in te drukken. Overal spraken ze over hun familieleden en kameraden die door de militairen wreed werden vermoord. De rest van hun leven bleven ze dit verhaal, de ultieme ontmaskering van het regime van Yazid en zijn handlangers, vertellen aan iedereen die het maar wilde horen.

En hun getuigenis was niet tevergeefs. Heel veel moslims waren verontwaardigd en kwaad toen ze hoorden over het bloedbad bij Karbala. Over heel het rijk van Yazid kwamen mensen in opstand. Abdullah ibn Al-Zubayir, een neef van Hoessein en een populaire leider van het moslimverzet, riep de mensen in Mekka op om zich te verzetten tegen de macht van de nieuwe heersers. Al snel kreeg hij steun van de bevolking van Koefa, die zich diep schaamden omdat ze Hoessein in de steek gelaten hadden. Overal waar ibn Al-Zubayir en zijn rebellen langskwamen, flakkerde het vuur van de opstand op. Overal waar zij vertelden over de wrede manier waarop de lichamen van de moslimhelden in Karbala werden vermoord, kwam hun opstandige geest tot leven in het steeds heviger verzet tegen de heersers. Zo slaagden ze erin om Mekka en Medina, Irak en hele delen van Syrië en Egypte te bevrijden. De macht van de monarchie wankelde.

De opstand geleid door Abdullah ibn Al-Zubayir was slechts de eerste in een hele rij. Met de moord op de lichamen van Hoessein en zijn kameraden, hadden de militairen van de nieuwe heersers de geest van die rebellen bevrijd. Nu deze opstandige geest niet langer gebonden was aan sterfelijke lichamen, kon die overal mensen inspireren om zelf in opstand te komen, om zelf te strijden voor hun eigen bevrijding. Sinds die dag hebben de heersers in de moslimwereld geen ogenblik rust meer gekend. Steeds opnieuw werd hun macht uitgedaagd en hun heerschappij bedreigd door opstandelingen die begeesterd waren door het voorbeeld van Hoessein en zijn kameraden.

Vanaf het moment dat Zaynab en de andere overlevende getuigen het verhaal over het martelaarschap van hun geliefden begonnen te vertellen, heeft de verontwaardigde stem van de gerechtigheid niet meer gezwegen. Zij waren slechts eersten in een lange keten van vertellers die, generatie na generatie, het verhaal van Karbala opnieuw doorgeven. Zij waren de pioniers van een beweging van vertellers, zangers, theologen, dichters, imams, schilders… die het verhaal keer op keer op hun eigen manier opnieuw vertelden. De stem van de opstandelingen kan nooit tot zwijgen worden gebracht. Gisteren, vandaag en morgen, terwijl miljoenen moslims het martelaarschap van Hoessein en zijn kameraden herdenken, voegen we weer een nieuwe schakel toe aan deze keten. Iedereen weet waar deze stroom van vertellers zal uitmonden. Iedereen weet dat ooit, op de Dag van de Opstand, de macht van de uitbuiters en de onderdrukkers voorgoed gebroken zal worden. Yazid en zijn militairen hebben de lichamen van Hoessein en zijn kameraden vermoord bij Karbala, hun getuigenis en hun geest is echter nog springlevend in ons en in onze strijd. Compañero Hoessein ibn Ali,
Presente para siempre!

Hasta la Victoria!

God wil niet dat we alles opofferen

Vaak horen we mensen zeggen dat we moeten lijden om “waardig te zijn” Gods liefde te ontvangen. Zij beweren dat God alleen houdt van mensen die alles opgeven wat hen vreugde verschaft, die tot het ultieme gaan om hun lichaam en hun geest te laten lijden. Sommigen beweren zelfs dat we ook anderen in onze omgeving moeten pijnigen om door God bevrijd te worden.

Dat is een leugen. Het is een duivelse leugen die ons niet vrij zal maken, maar ons nog verder gevangen zet in een wereld van lijden, angst, zorgen en zelfhaat. God wil niet dat wij lijden. Ze wil dat wij leven, dat wij vreugde en vrede worden.

En dus gaven we hem het goede nieuws over een zachtmoedige jongen. En toen die oud genoeg was om mee te gaan, zei hij: “O mijn zoon. Ik heb voorwaar in een droom gezien dat ik jou moet offeren. Wat denk je daarvan?
En hij zei: “O mijn vader. Doe zoals je bevolen is. Je zult zien dat ik, als God het wil, het zal verdragen.
En toen ze zich beiden overgegeven hadden, toen legde hij zijn hoofd neer. En toen riepen wij hem: “O Abraham! Jij hebt gedaan wat je in een droom zag!
Voorwaar. Zo belonen wij hen die goed doen.

(Koran 37:101-105)

We lezen dit verhaal over de profeet Abraham in de Koran. Hij had een droom, een illusie, waarin hij vernam dat hij zijn zoon moest offeren. Hij geloofde dat hij van God zijn enige zoon moest slachten.

We kunnen ons bijna niet voorstellen hoe het moet gevoeld hebben. Vader Abraham die dacht dat zijn God, zijn Ideaal waar hij al zoveel voor had opgeofferd, nu van hem verlangde dat hij zijn geliefde kindje zou opgeven. Wat moet hij wel niet gedacht hebben over die God? Wat moet er allemaal niet door zijn hoofd gegaan zijn?

Toch was hij van plan om het bevel uit zijn droom uit te voeren. Zo werkt blind geloof. Zo werkt extremisme. Hij geloofde dat zijn God van hem de meest extreme offers eiste, dat hij alles wat hij had moest opgeven om toch maar die God tevreden te stellen.

Ook zijn zoontje geloofde dat. Ook hij dacht dat men God tevreden moet stellen door alles op te offeren. Ook hij had een blind geloof in een God die zomaar in een droom eist dat je alles opgeeft.

Maar dat was een illusie, het was een totaal verkeerd geloof. De God die Abraham op weg had geleid naar het beloofde land, die hem gered had uit de klauwen van de heersers, zou nooit dat soort absurde offers eisen. Die God wil mensen gelukkig zien. Die God heeft ons geschapen om vrede en vreugde te ervaren, niet om te lijden en ongelukkig te zijn.

Daarom sprak Ze tot Abraham toen hij klaarwakker was. “Doe dat toch niet! Het was maar een droom! Je gaat toch niet zomaar het liefste wat je hebt opofferen omdat iets of iemand je dat in een droom bevolen heeft?! Luister toch niet naar al die onzin! Je weet toch dat dit niet is wat Ik van Mijn mensen verlang.”

Toen Abraham dit hoorde, besefte hij dat hij verkeerd had gehandeld. Hij besefte dat deze God hem en zijn zoon had gered. Hij besefte dat hij bijna de fout van zijn leven had begaan door te geloven dat God van hem zou verlangen dat hij alles wat hem gelukkig maakt zou opgeven.

Dat is hoe deze God de mensen beloont die goed doen. Ze leert hen om niet langer te luisteren naar de stem die hen voorliegt dat ze moeten afzien, dat ze moeten lijden om God tevreden te maken. Dat is namelijk een leugen, een illusie, een wrede nachtmerrie.

De stem die ons bang maakt dat we nog niet waardig zijn, dat we ons nog niet genoeg inspannen en nog niet genoeg opofferen, dat we nooit volmaakt genoeg zullen zijn voor Gods Liefde, is een duivelse stem. Het is een demonische, leugenachtige stem die niets liever wil dan ons te laten afdwalen van het pad dat ons gelukkig kan maken.

De God van Abraham en van alle profeten wil niets liever dan dat iedereen kan leven, en wel in overvloed.

فطرة‎‎ – FITRAH, ONZE NATUURLIJKE AANLEG

Het Arabische woord “fitrah” is vrij moeilijk te vertalen in het Nederlands. Het betekent iets als aanleg, menselijke natuur, gezond verstand, geweten… maar eigenlijk toch weer net iets anders. Het verwante werkwoord fatara kan zowel vormen/kneden/boetseren als scheiden/doorklieven betekenen. Fitrah is de aangeboren menselijke natuur, dat wat ons allen tot mensen maakt.

Volgens de Islam heeft die menselijke natuur verschillende componenten. Onze fitrah heeft een morele kant (aangeboren geweten), een spirituele (aangeboren godsbesef) en een cognitieve kant (aangeboren intelligentie). De Islam leert dat iedere mens geboren wordt met deze fitrah. Ieder kind is dus vanaf de geboorte instinctief geneigd om het goede te doen en zich tegen het kwade te verzetten, om God te zoeken en zich af keren van afgoderij en om waarheid en redelijkheid te verkiezen boven leugen en onzin. Iedere mens wordt geboren met de ingebakken morele, spirituele en cognitieve aanleg die nodig is om in deze wereld rechtvaardig te leven.

Wetenschappelijk onderzoek

Psychologisch en neurologisch onderzoek toont steeds opnieuw aan dat ons geweten diep in onze hersenen geworteld zit. Meer en meer blijkt dat ons moreel besef niet ontstaat als gevolg van een “goede opvoeding”, maar dat het al voor onze geboorte ingebakken zit in de architectuur van ons centraal zenuwstelsel. Spiegelneuronen, hersenbanen die empathie stimuleren, het oxytocine beloningssysteem… Dat is onze fitrah. We zijn mensen met een lichaam dat gevormd werd om sociaal en solidair te zijn, om samen te werken en voor mekaar te zorgen.

Men ontdekte bijvoorbeeld dat hele kleine kinderen, zelfs baby’s, instinctief geneigd zijn om lieve mensen te verkiezen boven stoute mensen. Jonge kleuters kiezen spontaan voor rechtvaardigheid. Peuters delen liever hun snoepgoed dan dat een andere peuter met lege handen moet achterblijven. Het maakt niet uit hoe jong kinderen zijn, hun aangeboren geweten ontwaakt van zodra hun bewustzijn ook maar begint vorm te krijgen en vanaf dat moment blijft het zich samen met dat bewustzijn verder ontwikkelen.

De opvoeding door onze ouders, leerkrachten, zussen en broers, buren… is heel belangrijk geweest bij het finetunen van dit moreel besef, maar de basis was reeds lang aanwezig voor we geboren werden. Die basis werd gelegd in de evolutie van onze soort, in de miljoenen jaren durende opvoeding die wij als soort ondergingen tot we uiteindelijk mens geworden waren en God zag dat het heel goed was. De Russische anarchist en bioloog Peter Kropotkin toonde een eeuw geleden al aan dat biologische evolutie vaak organismen bevoordeelt die leren samenwerken. Mutualisme, samenwerking en wederzijdse ondersteuning is een strategie die soorten enorme voordelen kan bieden in de strijd om het bestaan. Er bestaat dan ook een evolutionaire druk die sociale en solidaire kenmerken selecteert. Zelfs de bikkelharde amorele wetten van de natuurlijke selectie, lijken een voorkeur te hebben voor morele en sociale levende wezens.

Uit ander onderzoek blijkt dan weer dat onze menselijke hersenen opmerkelijk goed gevormd zijn voor het ondergaan/voortbrengen van mystieke ervaringen. De relatief jonge wetenschap van de neuro-theologie probeert met hypermoderne technieken als fMRI en PET-scans inzicht te krijgen in de neurologische kant van een religieuze ervaring. Spirituele trance, goddelijke vreugde, meditatie, gebed, aanbidding… een heel scala religieuze emoties en handelingen werden in de scanner onderzocht en in kaart gebracht. Steeds opnieuw bleek dat die ervaringen zich tot heel diep in onze hersenen afspelen. Die hersenen van ons lijken wel speciaal gevormd om God te ervaren. Ook al begrijpen we er nog lang niet alles van, het lijkt erop dat de evolutie ons zowel een morele als een religieuze opvoeding heeft gegeven.

Wetenschap en religie bevestigen mekaar hier alleen maar. Onze fitrah, onze aangeboren natuur, is dat we sociale, empathische, solidaire, samenwerkende en moreel bewuste wezens zijn in staat om God te leren kennen en lief te hebben. We zijn waarlijk geschapen, gevormd in de strenge leerschool van de evolutie, als beeld en gelijkenis van de God die het jammeren van de onderdrukten had gehoord en Haar/Zijn solidariteit met hen wilde tonen “door hen tot leiders en erfgenamen van het land te maken.” (Koran 28:6) Deze mensen zijn volmaakt geschapen. Ze worden als volmaakte wezens geboren en zijn klaar om khalief op aarde te worden, vertegenwoordiger van Gods Liefdevolle Scheppingskracht.

Onrecht in deze wereld

Hoe is het dan mogelijk dat er zo veel onrecht bestaat in deze wereld? Hoe kan het dat volmaakt geboren mensen onheil stichten in het land? Waar komen onrechtvaardigheid, wreedheid, hebzucht, afgoderij vandaan als ze niet tot onze fitrah, onze aangeboren natuur behoren? Binnen de Islam wordt deze vraag met een mythisch verhaal vol symboliek beantwoord.

Toen God de wereld had geschapen en de mens als hoogtepunt van de schepping tot Haar/Zijn khalief op Aarde wilde benoemen, kwam de engel Iblis in opstand. Iblis weigerde trots en arrogant om zich aan de mens te onderwerpen. Hij voorspelde dat de mens onheil, misdaad en bloedbaden zou aanrichten. Om die voorspelling te laten uitkomen, zwoer hij dat hij zelf de mensheid tot het einde der tijden zou verleiden om tegen Gods wil, tegen hun eigen fitrah te zondigen. Iblis was op dat moment Al Shaitan (de verleider / de overtuiger) geworden, Al Waswas (de fluisteraar).

Deze Shaitan was het die de mensen in de tuin overhaalde om de vruchten te eten van de boom van het onderscheid van goed en kwaad. Zo zouden ze zelf als de goden worden. Eenmaal ze van deze vruchten gegeten hadden, merkten ze hoe naakt en kwetsbaar ze tegenover elkaar en tegenover de wereld stonden. Tegen hun aangeboren altruïstische natuur in, zochten ze bescherming tegen de keurende, indringende, alomtegenwoordige oordeelsblik van hun omgeving. De vruchten van het onderscheid tussen goed en kwaad bevatten de bittere zaden waaruit later angst, wantrouwen, afgunst, geweld, hypocrisie, leugen… konden ontstaan.

Generatie na generatie weken de mensen meer af van hun natuurlijke aanleg. Mensen begonnen voor zichzelf rijkdom en macht te verzamelen door andere mensen uit te buiten en te onderdrukken. De mensen sleurden mekaar mee in een spiraal van oorlog en slavernij. De angst om macht, eigendom of status te verliezen had de menselijke relaties hertekend. Nieuwe aangeleerde karaktertrekken als egoïsme, geldingsdrang, wantrouwen en wreedheid waren in plaats gekomen van het aangeboren altruïsme, de ingebakken empathie en de solidariteit. De mensen waren echt geworden als de goden uit de heidense mythologie: arrogante, op macht en geweld beluste heersers, gewikkeld in een eeuwigdurende strijd van allen tegen iedereen. Ze leken haast niet meer op dat oorspronkelijke beeld en die gelijkenis van de Ene Bevrijdende God van de Solidariteit.

Dit is geen geschiedenisles. Het is zoals gezegd een symbolisch verhaal dat uitlegt hoe het kwade kon ontstaan in een wereld met mensen met een volmaakte fitrah. Shaitan is geen historisch personage, maar de personificatie van onze begeerten. We kennen die vervloekte fluisteraar allemaal heel goed, want we ontmoeten hem dagelijks. Shaitan is die psychologische kracht in onszelf die ons probeert te overtuigen om tegen onze fitrah in te gaan. De Verleider zit in onszelf en moet in onszelf bestreden worden.

Ook de boom van onderscheid tussen goed en kwaad is een symbool. Die boom staat voor het onderscheid tussen goede en kwade mensen, tussen wij en zij, tussen winners en losers. Winnaars worden geprezen en gediend, als goden vereerd. Verliezers worden bespot en gemarginaliseerd. De vruchten van dat onderscheid tussen goed en kwaad zijn angst, wantrouwen, zorgen, stress… Niet alleen is er de voortdurende druk om toch maar tot de winners te behoren, er is ook nog eens de voortdurende angst voor het oordeel van de andere mensen. Angst, wantrouwen en bezorgdheid bevatten de zaden van geweld, onderdrukking, uitbuiting en oorlog.

Nafs en Ruh, twee ideeën over de ziel

In ons leven, als persoon en als gemeenschap, blijven wij steeds opnieuw de vruchten eten van die boom. We blijven het onderscheid maken tussen winners en losers, tussen wij en zij, tussen ik en de rest van de wereld. Het Arabisch woord “nafs” wordt vaak vertaald als “ziel”, een beter vertaling is misschien “ego” of “zelf”. Het is deze nafs die ons steeds opnieuw doet zondigen tegen onze fitrah.

Ons ego is eigenlijk niets anders dan het idee dat we een geïsoleerde één tegen allen zijn. We moeten onszelf beschermen tegen de bedreigende (en beoordelende) buitenwereld. We moeten onze kwetsbare naakte lichamen met kleren, desnoods met harnassen, burchten en militairen beschermen. De boom van het onderscheid tussen goed en kwaad liet ons de ander als dreigende wolven zien, daarom moeten we zelf ook wolven worden.

We geven deze vruchten ook al op heel jonge leeftijd te eten aan onze kinderen. Al heel vroeg leren we kinderen om voor zichzelf op te komen, desnoods ten koste van anderen. We leren hen dat winnaars beter zijn dan verliezers en dat ze er alles voor moeten doen om zelf winnaars te worden in het leven. We leren hen om anderen desnoods te misleiden en we leren hen om die anderen te wantrouwen omdat die altijd vals spelen. Nog voor ze leren lezen en schrijven, hebben peuters en kleuters al van ons geleerd dat deze wereld een oord van competitie is waar ze voortdurend voor hun eigen nafs zullen moeten vechten. Nog voor het aangeboren geweten voldoende de kans gekregen heeft om deze complexe wereld te begrijpen, wordt het gesaboteerd door die nieuwe moraal van wij en zij, winners en losers, heersers en slaven.

Maar God zegt dat dit een leugen is. Wij mensen zijn geen individuen die als roofdieren met mekaar moeten omgaan. We zijn geen afgescheiden nafs, geen ego, geen geïsoleerde en bedreigde eenling. Wij mensen zijn daarentegen allemaal uit één ziel geschapen (Koran 4:1, 7:189, 39:6). We zijn geschapen als één familie, de Bani Adam, de Mensenkinderen. De verschillen binnen onze menselijke familie zijn er niet als een bedreiging, maar juist als een aansporing om mekaar te leren kennen, om van mekaar te leren (Koran49:13).

Als we maar zouden begrijpen dat het hele idee van wij tegen zij één grote leugen is, dan zouden we als mensheid een zegen zijn voor deze wereld. Met ons aangeboren moreel kompas en ons vermogen om van andere mensen te leren, zouden we onze taak als khaliefen in deze wereld perfect kunnen vervullen. Als we zouden begrijpen dat we niet allemaal een eigen afgescheiden nafs zijn, maar dat we uit één ziel geschapen zijn, dan zouden we onze echte essentie begrijpen. Onze essentie is niet dat we een afgescheiden nafs zijn, maar dat we onderdeel zijn van een groter geheel dat bezield wordt door de ruh van God. Het Arabische woord “ruh” betekent ook “ziel”, maar daarnaast kan het als “adem”, “geest” en “wind” worden vertaald. Die ruh, die adem en geest van God, is onze eigenlijke ziel. Die scheppende, leven brengende geest is wat ons als mensheid zou moeten bezielen om zelf scheppend en leven brengend aanwezig te zijn in de wereld.

De weg terug

Zo lang we niet leven volgens onze aangeboren aanleg, zullen we nooit gelukkig kunnen worden. Niet als individu en niet als gemeenschap. Zo lang we ons bij ons handelen, kiezen, spreken, zwijgen… laten leiden door onze angst, onze hebzucht, ons wantrouwen… zullen we onszelf en onze omgeving steeds opnieuw pijnigen en ongelukkig maken. God wenst voor Haar/Zijn schepping niets dan vrede en vreugde en Zij/Hij wil ons dan ook helpen om de Weg terug te vinden naar onze fitrah, naar onze natuurlijke manier van leven.

Het valt op dat heel veel religies spreken over een Weg, een Pad, dat naar bevrijding leidt. Het Hebreeuwse woord “thora” en het daaraan verwante Arabisch woord “shariah” betekenen allebei in de eerste plaats “weg”, “pad” en pas daarvan afgeleid “raadgeving”, “wegwijzer”, “gebod” of “wet”. De profeet Boeddha(vzmh) sprak over een Edel Achtvoudig Pad en veel Brahmaanse geleerden zullen vertellen dat ook het woord “Dharma” in het Sanskriet gerust met “Pad” vertaald mag worden. Het Chinese woord “Dao”, het kernbegrip in het daoisme, betekent ook “Weg” of “Pad”. Dit Pad waar al die religies het over hebben is de Weg die ons terug leidt naar onze kern, naar onze fitrah. Het is de Weg die God ons doorheen de boodschappen van honderden profeten in tientallen religies steeds opnieuw laat zien.

Waaruit bestaat die Weg dan? Wat is die Thora, die Shariah, die Dharma, die Dao? In iedere religie vinden we verschillende pogingen om die weg onder woorden te brengen. In de boeken Sjemot (Exodus) en Devarim (Deuteronomium) in de Bijbel staan de tien geboden vermeld. Rabbijnen en profeten hebben die geboden steeds opnieuw samengevat als “Onze God is een God van bevrijding. Dien geen andere heersers dan Haar/Hem en behandel je medemens solidair, zoals je zelf behandeld zou willen worden.” Dat is de kern van de Thora/Shariah die God ons laat zien.

Hillel de Oudere, een beroemde rabbijn uit het begin van onze jaartelling, kreeg ooit de uitdaging om de hele Thora uit te leggen terwijl hij op één been balanceerde. De oude rabbijn stond op, ging met veel moeite en pijn op één van zijn stramme benen staan en zei: “Doe een ander niet aan wat je zelf niet wil ondergaan. Dat is de essentie, de rest is commentaar. Haast je nu snel naar huis om te studeren!” Volgens deze oude rabbijn kon heel de Wet/Weg in die ene zin, de gulden regel, worden samengevat. Wanneer we leren om de anderen te behandelen zoals we zelf behandeld willen worden, dan zijn we op de goede weg.

Leven volgens die Thora/Shariah is voor ons het meest natuurlijk, want het is de levenswijze die aangepast is aan onze fitrah, ons aangeboren moreel en spiritueel kompas. Wanneer we van die natuurlijke Weg afwijken, wanneer we een andere shariah/thora bewandelen, kost dat ons extra energie. Iedere zondige levensstijl kost op den duur meer moeite en veroorzaakt meer stress en lijden dan een leven volgens de Thora/Shariah die bij onze natuur past. Hoe meer we zondigen, hoe meer we door de gevolgen van die zonden worden opgejaagd. De enige manier om die stress en dat lijden te vermijden, is terugkeren naar de natuurlijke Thora/Shariah en de Weg terug naar die Shariah/Thora is die Shariah/Thora zelf. Waar we ook staan, de Weg van de Thora/Shariah begint precies daar en brengt ons terug naar huis, naar onze fitrah, naar God.

Gods Droom van een Nieuwe Wereld

We hebben God leren kennen voor we geboren werden. Doorheen ons aangeboren godsbesef openbaart die God zich als Goedheid, Geborgenheid en Liefde. Doorheen ons aangeboren geweten openbaart Zij/Hij zich als Rechtvaardigheid, Vrede, Samenwerking en Solidariteit. We hebben diezelfde God leren kennen in de geschiedenis waar Zij/Hij zich openbaarde als Bevrijding en Verzet tegen onderdrukking, als de Stem van de stemlozen, de Macht van de machtelozen. Deze God wil een megafoon zijn die het stille gekreun en gekerm van de gemarginaliseerden en hun angstig gefluisterd smeken om rechtvaardigheid versterkt tot oorverdovend donderende aanklachten tegen de heersers, de uitbuiters en de onderdrukkers. Deze God is een radicale God die geen enkele vorm van heerschappij van mensen over mensen wil dulden.

Deze God moet wel de Schepper geweest zijn van de Hemel en de Aarde. De hemel is een toonbeeld van regelmaat en balans. Alle hemellichamen volgen hun natuurlijke baan en wijken er niet van af. Juist daardoor is de Hemel een schitterend voorbeeld van orde en evenwicht. God houdt ons dat evenwicht als voorbeeld voor. Ook wij moeten hier op de Aarde onze natuurlijke baan volgen en de balans van onze wereld onverstoord laten (Koran 55:5-8). Zo openbaart de Hemel ons Gods Droom van een Nieuwe Wereld, een Wereld die goed is en ruim, een Land van Melk en Honing.

Deze Nieuwe Wereld zal een maatschappij zijn waar allen volgens hun fitrah zullen leven. De macht van de leugen die ons angstig en wantrouwig hield, zal gebroken zijn. De macht van de afgoden die ons valse veiligheid, gestolen rijkdom en in bloed gedrenkte privileges beloofden, zal uitgewist zijn. Eigendom, macht en status zullen, net als alle andere afgoden buigen voor de Ene God van de Bevrijding en de Solidariteit. Het zal een wereld zijn waarin alle mensen in solidariteit bijdragen volgens hun vermogen en iedereen het nodige ontvangt om in vrede en vreugde te leven. In deze wereld zal God Haar/Zijn belofte waarmaken en ons tot waardige khaliefen maken, tot vertegenwoordigers van Haar/Zijn Scheppende Aanwezigheid. Wij mensen zullen tot een zegen worden voor alle werelden (Koran 21:207).

De Thora/Shariah die God ons toont, de natuurlijke weg van rechtvaardigheid en vrede, zal de grondslag vormen van deze nieuwe wereld. Tegelijk is die Thora/Shariah ook de weg die ons daarheen zal brengen. God belooft ons dat Haar/Zijn droom van een Nieuwe Wereld werkelijkheid wordt, wanneer wij allen, Haar/Zijn uitverkoren volk, die Thora/Shariah tot leven brengen en ons denken, spreken en handelen richten naar onze fitrah.

Jahiliyya 2.0

“Jahiliyya” is een arabisch woord dat ‘onwetendheid’ betekent. Voor moslims betekent het ook het geheel van wetten, gewoontes, tradities, vooroordelen, waarden, normen… kortom de hele levenswijze van voor de komst van de Islam. Het is een levenswijze die getekend is door hebzucht, machtswellust, oppervlakkige bling bling en misselijkmakende onderdrukking. Een kleine heersende klasse had alle macht in handen en controleerde alle eigendommen. De rest van de bevolking moest werken voor die heersers, veroordeeld tot een leven van loonslavernij, schuldslavernij of om het even welke andere vorm van slavernij. Ze werden verplicht om afgoden te aanbidden, stenen beelden die eigendom waren van de elite. Zo werden de geesten en de harten van de mensen genadeloos aan hun onderdrukkers geketend. De tijd van Jahiliyya was een tijd waarin seksisme, racisme, homofobie en tal van andere misdadige uitsluitings-mechanismes moordende proporties hadden aangenomen. Het volk werd in onwetendheid gehouden. Onwetendheid over Gods diepe wens van rechtvaardigheid, vrijheid en vrede voor al Zijn/Haar schepsels. Onwetendheid over het evenwicht in de schepping, de Goddelijke wetten die dat evenwicht garanderen en de talrijke manieren waarop de elite dit evenwicht keer op keer ondermijnt. Onwetend over Gods oproep tot verzet, tot jihad voor een betere maatschappij. Onwetend over de Islam, de levenswijze van iedere mens die koppig weigert om zich te buigen voor om het even welke afgod.

Deze onwetendheid werd doorbroken met de komst van God’s Boodschapper Mohammed ibn Abdullah(vzmh). Hij riep als eerste van zijn gemeenschap op tot de Islam en werd daar al spoedig in gevolgd door andere moslims als Khadijja bint Khuwaylid(vzmh) zijn echtgenote, Ali ibn Abu Talib(vzmh) zijn neef die later zijn schoonzoon zou worden en imam (leider) van de trouwe moslims na de dood van Gods Boodschapper en Jundub ibn Junadah(vzmh) de arme schooier uit een arme nomadenstam die later bekend zou worden onder de naam Abu Dhar al Ghifari en die een opstand zou leiden tegen de emir van damascus en diens neef de eerste khalief van de Omayyaden.

De beweging groeide eerst traag, maar het goede nieuws van Gods vrijheidswens en Haar/Zijn oproep tot verzet won steeds meer harten onder de armgemaakte en tot slavernij veroordeelde bevolking. Tegelijk nam echter ook de onderdrukking toe. De elite besefte hoe gevaarlijk het vuur van de Islam was en hoe zeer het hun privileges bedreigde. De ene islamofobe haatcampagne na de andere werd gelanceerd. Beledigingen en roddels werden opgevolgd door geweld en zelfs moord. Na jaren van vervolging die steeds barbaarser werd, besloot de eerste gemeenschap van moslims te emigreren naar Yathrib, een oasestad waar Gods Boodschapper uitgenodigd was om als rechter op te treden. In die stad, die later onder de naam ‘Medina’ bekend zou worden, groeide de moslimbeweging snel aan. Hier kregen ze de mogelijkheid om voor het eerst in de geschiedenis een maatschappij op te bouwen waar de vele ketenen van de jahiliyya gebroken werden. Hier konden ze de eerste stappen zetten op weg naar een Islamitische maatschappij waar rechtvaardigheid, vrijheid en vrede heersen. In de jaren die volgden werd Medina het epicentrum van een revolutie die over het hele land de heerschappij van de jahiliyya ondermijnde en die tenslotte de macht van de vroegere elites kon breken. De beweging van moslims, geleid door Gods Boodschapper was er in geslaagd om de cirkel van onderdrukkende onwetendheid te breken.

Helaas is dit niet het einde van het verhaal. De vroegere elite was niet definitief verslagen. Na de Islamitische revolutie hadden de meesten van hen zich openlijk bekeerd tot deze nieuwe levenswijze. Zij deden dit niet omdat ze ineens overtuigd moslim geworden waren, in tegendeel. In hun hart verafschuwden ze deze levenswijze die prinsen en koningen oproept om naast bedelaars en slaven in de rij te staan en samen het hoofd in het zand te buigen voor een God die geen onderscheid maakt tussen Haar/Zijn schepsels. Ze wilden niets liever dan een terugkeer naar het ancien regime, naar de tijd van hun privileges en macht, de tijd van de onwetendheid van het volk. Na de dood van Gods Boodschapper probeerden ze verschillende keren om rechtstreeks of onrechtstreeks de macht terug naar zich toe te trekken. Toen Uthman ibn Affan de derde khalief werd, beseften ze dat ze alle kansen hadden om dat doel te bereiken. Uthman was afkomstig uit de stam van de Omayyaden, één van de rijkste en machtigste stammen uit de vroegere elite. Hij was geobsedeerd door godsdienst, maar zag daarbij alleen de rituelen, de moskeeën en alle andere uiterlijkheden. Hij liet schitterende manuscripten van de Koran maken, maar negeerde de duidelijke oproep tot verzet tegen corruptie en machtsmisbruik die op iedere bladzijde van die Koran herhaald werd.

Terwijl Uthman zich bezig hield met die uiterlijkheden, die lege rituelen zonder hun politieke kern, konden andere leden van zijn stam overal in de Islamitische maatschappij machtsposities innemen en zo hun vroegere privileges beetje bij beetje terugwinnen. Mu’awija ibn Abu Sufjan en zijn neef Marwan de bedrieger hadden de macht in Damascus in handen gekregen. Ze lieten schitterende paleizen bouwen met het geld dat ze uit de bevolking hadden geperst. Alle belastingen in de Islamitische maatschappij werden opgesoupeerd door die nieuwe elite van lokale gouverneurs. Overal in het rijk werden de gewoontes en de wetten van de jahiliyya druppelsgewijs terug ingevoerd, dit keer door heersers die zichzelf ‘moslim’ lieten noemen. De Islam werd van binnen bedreigd door een jahiliyya_2.0 en de khalief deed niets. Hij zat in de moskee te bidden, of bewonderde één van zijn schitterende handschriften van de Koran.

Over heel de maatschappij keerden meer en meer moslims zich tegen deze nieuwe elite en tegen de passiviteit van de khalief. Abu Dhar al Ghifari liet keer op keer zijn aanklacht tegen deze mistoestanden horen. Hij werd naar Damascus verbannen en leidde daar een opstand tegen het corrupte regime van Mu’awija en Marwan. Hij werd teruggestuurd naar Medina waar hij de khalief en de nieuwe elite bleef aanklagen en de bevolking bleef oproepen tot verzet. Uiteindelijk werd hij verbannen naar een plek in de woestijn, waar hij zijn laatste dagen doorbracht. Ondertussen bleef de ontevredenheid onder de bevolking groeien. Ontevredenheid die uitgroeide tot een opstand waarbij het huis van de khalief werd belegerd en Uthman uiteindelijk werd gedood.

Ali ibn Abu Talib (vzmh), de leider van de moslims die trouw waren gebleven aan de oorspronkelijke oproep tot rechtvaardigheid en vrijheid, werd zijn opvolger. Hij probeerde om de opkomst van deze nieuwe elite tegen te houden. Marwan werd verbannen, maar Mu’awiyya mobiliseerde zijn leger in Damascus en probeerde met geweld de macht te grijpen. Het kwam tot een regelrechte burgeroorlog. Om erger bloedvergieten te voorkomen, onderhandelde Ali met Mu’awiyya een vredesverdrag. Dit was niet naar de zin van een aantal extremisten. Zij vonden iedere onderhandeling een vorm van collaboratie met de kafirs. Zij verklaarden dat Ali door die collaboratie zelf een kafir geworden was en scheurden zich als aparte groep, de kharijjieten, van de moslimbeweging af. Eén van hen slaagde er later in om Ali te vermoorden terwijl hij aan het bidden was in de moskee.

Tijdens de korte vijf jaar van zijn khalifaat slaagde Ali er niet in om de intriges van deze nieuwe elite helemaal te doen ophouden. Na zijn dood greep Mu’awija definitief de macht en benoemde zichzelf tot de volgende khalief waarmee de contrarevolutie voltooid was. Vanaf die tijd werd de wereld van de Islam generatie na generatie geregeerd door een nieuwe elite die steeds meer elementen van de jahiliyya herinvoerden.

Na de moord op Ali en de militaire machtsgreep van Mu’awiyya was de moslimbeweging verzwakt. Mu’awiyya gaf het bevel dat in heel het land de naam van Ali vervloekt moest worden tijdens iedere vrijdagpreek in de moskee. Hasan(vzmh) de oudste zoon van Ali en de kleinzoon van Gods Boodschapper was de nieuwe leider van de beweging geworden en hij besloot om voorlopig geen openlijk opstand tegen de nieuwe khalief te organiseren. De tijd van het ondergrondse verzet was weer aangebroken.
Hoewel de moslims hun openlijk verzet hadden gestaakt, besefte Mu’awiyya dat het gevaar nog niet geweken was. Hij was bang dat er na zijn dood een opstand zou uitbreken met Hasan als leider. Hij wist dat de bevolking zijn regime haatte en dat zij na die opstand de zoon van Ali als nieuwe khalief zouden verkiezen, maar hij zag zelf veel liever zijn eigen zoon Yazid. Daarom liet hij Hasan vergiftigen.

Hoesein(vzmh), de tweede zoon van Ali nam het leiderschap van de moslimbeweging over van zijn broer. Hij vernam dat de moslims in Irak bereid waren om een opstand tegen Mu’awiyya te beginnen, maar hij besefte dat de tijd nog niet rijp was voor een algemene opstand. Daarvoor stond de moslimbeweging in de rest van het land nog veel te zwak. Hij spoorde de moslims in Irak aan tot geduld en concentreerde zich verder op het organiseren van het ondergrondse verzet.

Zoals Mu’awiyya het had gewild, werd zijn zoon Yazid de volgende khalief. Hij gaf het bevel dat iedereen in het land trouw aan hem moest zweren. Wie dat niet deed zou vermoord worden. Hoesein weigerde dit, ook al wist hij dat hij zo zijn doodsvonnis tekende. Hij kreeg opnieuw te horen dat de moslims in Kufa in Irak een opstand tegen de dictatuur wilden organiseren. Hij besloot om erheen te trekken, maar daar aangekomen zag hij dat de moslimbeweging vernietigd was door de handlangers van Yazid. Op de terugweg werden hij en zijn familie, samen met een handvol moslims die hem trouw gebleven waren, bij Karbala tegengehouden door het leger van Yazid. Ze werden omsingeld en afgesneden van drinkbaar water. De belegering duurde tien lange dagen, de moslims konden kiezen tussen omkomen van de dorst of afgemaakt worden door het leger. De tiende dag besloot Hoesein om het ultieme offer te brengen. Hij nam zijn zwaard, besteeg zijn paard en riep luid “Liever sterven voor God dan leven voor een tiran!”. De ultieme oorlogsverklaring aan de nieuwe onwetendheid. Onverschrokken reed hij het vijandelijke leger tegemoet. Een regen van pijlen doorboorde zijn lichaam en hij werd gedood. De kleinzoon van Gods Boodschapper en tientallen andere trouwe moslims werden daar als beesten afgemaakt.

Yazid hoopte met deze slachtpartij een einde te hebben gemaakt aan de opstanden van de moslims. De laatste zoon van Ali was vermoord. Zijn lichaam was op het slagveld onthoofd en dat hoofd werd nu in een triomftocht naar de khalief gebracht. Iedereen moest zien hoe de nieuwe heersers met opstandelingen omgingen. Niemand zou het ooit nog in zijn hoofd halen om verzet te plegen tegen de khalief en de elite die met hem regeerde. Yazid was de eerste, maar helaas niet de laatste khalief die de hoofden van zijn tegenstanders tentoon stelde om verder verzet af te schrikken.

Hoe zeer vergiste hij zich! Hij geloofde dat martelaren op Gods weg dood en verdwenen zijn, maar God zegt zelf dat dit een dwaling is.

“Denk niet dat wie op Gods weg vermoord werd, dood zijn. Nee, ze zijn eeuwig levend en ze worden door hun Heer onderhouden.”

(3:169)

Het martelaarschap van Hoesein was de ultieme oorlogsverklaring aan de onwetendheid die macht en bezit verkiest boven rechtvaardigheid en vrijheid, die een leven van materieel confort verkiest boven een leven in dienst van God en Haar/Zijn schepselen. Toen Hoesein in Karbala koos voor vrijheid en recht, zelfs ten koste van zijn eigen eindige leven, was dat niet het einde van de moslimbeweging, maar juist het begin van een nieuw elan. Zijn sterfelijke lichaam is dood, maar zijn rebelse geest veroorzaakt tot vandaag, veertien eeuwen na die zwarte dag, angst bij de heersende elites overal op deze planeet.

De moslims die de moordpartij overleefd hadden, werden als gevangenen naar Damascus gevoerd. Eén van hen was Zainab bint Ali (vzmh), de zus van Hasan en Hoesein. Eenmaal in Damascus aangekomen begon ze overal het gruwelverhaal van Karbala rond te vertellen. Ieder die in haar omgeving kwam moest horen hoe de kleinzoon van Gods Boodschapper was vermoord door het goddeloze leger van de khalief. Hoe zeer de elite haar ook het zwijgen probeerde op te leggen, ze bleef het verhaal herhalen. Zo stond ze aan het begin van een lange ketting vrouwen en mannen die generatie na generatie de herinnering aan Karbala en aan het offer van de moslims daar levend hielden. Zo lang er moslims over blijven die dit verhaal blijven hervertellen, kan niemand de martelaars van Karbala doden.

Het mislukken van de opstand in Kufa en de moord op de familie van Gods Boodschapper die daar een gevolg van was, toonden wel aan dat de moslimbeweging opnieuw heel zwak stond. Een halve eeuw na de glorierijke overwinning van de Islamitische revolutie onder leiding van Gods Boodschapper, was de contrarevolutie totaal. Van de bevrijdende nieuwe levenswijze die de Islam oorspronkelijk was, bleef maar weinig over. Allerlei vormen van racisme, seksisme, homofobie en andere onderdrukkende mechanismen werden opnieuw ingevoerd. De trouwe moslims waren opnieuw een minderheid geworden. Jahiliyya had opnieuw de plaats van de Islam ingenomen.

Er is echter een belangrijk onderscheid tussen de jahiliyya uit de tijd voor de komst van de Islam en deze nieuwe jahiliyya van na de contrarevolutie. Voor de komst van de Islam werden de onwetenden gedwongen om stenen beelden te aanbidden die eigendom waren van de elite. Na de contrarevolutie werd de afgoderij verborgen onder een dikke laag pseudo-Islam. De nieuwe onderdrukking werd uitgelegd met de Koran en (al dan niet verzonnen) ahadith in de hand. Vroom kijkende geleerden met lange baarden verminkten de Islamitische leer tot een nieuwe vorm van onwetendheid. Van een levenswijze voor rebellen die weigerden om zich te buigen voor de elite en hun afgoden werd het een holle verzameling regeltjes en uitspraken. Geleerden stelden tal van nieuwe regeltjes op over hoe moslims hun tanden moesten poetsen, hoe ze hun vinger moesten bewegen tijdens het gebed of wat ze precies moesten zeggen nadat ze een scheet hadden gelaten. Trots verklaarden ze dat al die holle regels samen een antwoord boden voor elk probleem waar een moslim ooit mee geconfronteerd kon worden. Het geheel werd ‘de Sharia’ genoemd.
Nergens in die hele pseudo-sharia staat echter een oproep tot verzet tegen onrecht. Nergens staat de plicht vermeld om deel te nemen aan de jihad tegen onderdrukking en uitbuiting, tegen slavernij en onwetendheid. Het is een pseudo-Islam die enkel aandacht heeft voor de rituele buitenkant, tot in absurde details, maar die de revolutionaire kern van de Islam bewust negeert. Het is zelfs nog erger. De pseudo-Sharia die de paleisgeleerden verzonnen is bijna even sexistisch en homofoob als de maatschappij voor de Islam. De theologen van de macht verzonnen honderden valse uitspraken van Gods Boodschapper die stuk voor stuk de macht van de heersers bevestigden en iedere vorm van verzet veroordeelden. De pseudo-Islam van deze nieuwe jahiliyya is een anti-Islam.

Maar de geschiedenis toont ons ook een ander gezicht van die nieuwe jahiliyya, een gezicht dat op het eerste zicht wel rebels en revolutionair lijkt te zijn. Jahiliyya is namelijk niet alleen de dictatuur van de elite die de bevolking in onwetendheid houdt. Het is ook de sektaire verdeling van de bevolking in allerlei groepjes die mekaar bestrijden en zo het verzet tegen de elite bewust of onbewust saboteren. De dicatuur van Mu’awiyya en Yazid is jahiliyya, maar het extremisme van de kharijjieten is evenzeer een vorm van onwetendheid. Hun waanidee dat zij de enige zuivere moslims zijn en dat iedereen die niet tot hun groep behoort, een kafir is en hun al even waanzinnige geloof dat alle kafirs vermoord mogen worden, is even ver van de Islam verwijderd als de uitbuiting en de luxe, de machtswellust en de onderdrukking van de klassenmaatschappij. Hoewel deze twee gezichten van jahiliyya sterk van mekaar lijken te verschillen, zijn ze innig met mekaar verbonden. Niets jaagt een dictator meer angst aan dan een eengemaakte bevolking en tegelijk bestaat er geen beter geneesmiddel tegen extremisme dan een bevolking die vrij is van dictatuur. Moslims moeten op elk moment van de strijd deze twee facetten van het nieuwe jahiliyya leren onderscheiden en ze allebei op de gepaste manier bestrijden.

Deze nieuwe vorm van onwetendheid vermomd in de vrome kleren van de pseudo-islam, noemen we ‘neo-jahiliyya’ ofwel ‘jahiliyya_2,0′ en er bestaan veel verschillende vormen. De ene keer verschijnt die onwetendheid als een zogenaamde geleerde die sexistische, racistische, homofobe of andere onzin uitkraamt en die onzin Islam noemt, dan weer als een al dan niet verkozen tiran die beweert dat hij zijn volk in naam van God uitperst en afslacht.
Deze onwetendheid bestaat nog steeds in heel de wereld van de Islam. Nog steeds houden koningen en presidenten de bevolking in onwetendheid. Nog steeds fabriceren duur betaalde theologen voor hen een pseudo-Islam à la carte die de bevolking moet bedwelmen en hen ver weg houden van de echte rebelse Islam. Heersers die zich ’emir al muminun’ (aanvoerder van de gelovigen) laten noemen, verplichten die gelovigen om tegen hongerlonen te werken in olievelden, plantages, mijnen… waarna ze tegen superwinst de rijkdommen van hun geld verkopen aan de heersende elites van andere landen.

Zo kunnen ze voor zichzelf schitterende paleizen blijven bouwen en hun macht en bezit nog verder uitbreiden. Een deel van hun winsten, door uitbuiting gestolen van de bevolking, investeren ze in het opleiden van nieuwe generaties zogenaamde geleerden die steeds opnieuw de passende pseudo-islamitische verantwoording geven voor de wandaden van hun baasjes. Op die manier reproduceert iedere nieuwe generatie heersers haar eigen nieuwe variant van jahiliyya.

De jahiliyya_2.0 is één van de grootste obstakels op de weg naar een nieuwe Islamitische revolutie. Zo lang de bevolking dom en onwetend wordt gehouden, kunnen de elites hun privileges zonder moeite behouden. Deze opgelegde onwetendheid moet opnieuw doorbroken worden, net zoals in de tijd van Gods Boodschapper (vzmh). Wanneer de moslimbevolking zich uit deze onwetendheid bevrijdt, kan de opstand tegen de elites van onze tijd niet meer lang op zich laten wachten en wanneer heel het volk in opstand komt, is er geen hoop meer voor de onderdrukkers.

Een boodschap voor de verlichte denkers

Tafsir van Soerah Ar-Roem – De Romeinen door Ali Shariati

In naam van God.

De God van Mohammed
die de laatste boodschapper was
van bewustzijn, kracht en vrijheid.

De God van Imam Ali,
voorbeeld van een ware Moslim,
slachtoffer van onderdrukking
en leider voor de hele mensheid.

In naam van God.
Schepper van het huis van Fatimah,
het huis waarin we onze hoop op vrijheid vinden,
dat kleine huis dat zo groot is als heel de schepping.

In naam van God.
De God van Abu Dhar,
het beste voorbeeld voor de mustazafin,
de onderdrukten van het verleden en van vandaag.

De God van allen die in de geschiedenis geleden hebben,
die gemarteld werden
en van allen die vandaag nog steeds lijden.

De God van allen die in de geschiedenis
verstoken bleven van werelds bezit.
Allen die, ook al waren ze arm,
steeds het pad van Abraham bleven volgen
en bleven strijden voor vrijheid.

Sinds de tijd van Adam en de tijd van Hoessein
en tot in de eeuwigheid
zullen ze blijven strijden
om de mensheid te redden.

In naam van God.
De God van de martelaren (shuhada) die hun leven gaven
voor de zaak van rechtvaardigheid en waarheid.

Beste Broeders en Zusters.

De schitterende lezing daarnet door die jonge man deed me meteen denken aan Ali, hoe verlichtend het is om van hem te houden. Daar vinden we misschien meteen het antwoord! Als we in deze corrupte wereld, ook maar een vonk zouden begrijpen van wie Ali is, en als we die vonk kunnen doen overslaan in het hart van onze jongeren, dan zou de duisternis van deze jungle snel plaats maken voor het vurig licht van de liefde. Als we daar in slagen, kan vrijheid en begrip ontstaan.

In heel de wereld bestaan er samenzweringen om onze generatie jongeren gevangen te houden en hen te vernietigen. In plaats van echte rechtvaardigheid en vrijheid te leren kennen, dat wat ze echt nodig hebben, krijgt onze jeugd de vrijheid van het seksueel plezier. Overal, op radio en televisie en in kranten en kunstwerken, probeert men om “de seksuele behoeften te bevredigen”.

Als we daarentegen de jongeren zouden blootstellen aan de school van Ali en hen aansteken met een vonk van het eeuwig brandend vuur uit de haard van het stille en verlatene huis van Fatimah, dan zou dat vuur ook in hen blijven branden. Onze stilstaande, stilzwijgende en verdeelde samenleving zou een nieuwe lichtstraal van hoop leren kennen, een nieuwe bron van energie, een nieuwe beweging, een nieuw doel. Een verlichte en bewuste generatie zou dan leren leven volgens dezelfde principes als Ali, de principes die hij aan de wereld leerde door zijn geduld, zijn stilte, zijn pijn en zijn strijd.

Ik verlang naar de dag waarop de huidige wereldorde, gekleurd door het pessimisme, de vijandigheid en de kwaadaardigheid die de vijanden van de Islam onder de Moslims verspreiden om tweedracht tussen hen te zaaien zodat ze hun ware vijand vergeten, herschapen wordt. Ik verlang naar een wereld waarin geen energie meer wordt verspild aan twist over onze onderlinge verschillen, aan beschuldigingen, beledigingen, vernedering, afwijzing en veroordeling van mekaar. Alle Moslims zouden de juiste Islamitische leer moeten volgen en genieten van mekaars vriendschap en begrip. Ik hoop dat deze dag niet meer te ver af is. Het zal een dag zijn waarop onze moderne universiteiten zullen verbroederen met onze religieuze hogescholen, de wetenschappelijke professoren met de ulema (relitieuze geleerden), de ongeletterde gelovigen met de intellectuelen, de jongeren met de bejaarden, de modernen met de traditionelen, de dochters met de moeders, de zonen met de vaders. Ze zullen allemaal bij mekaar komen en mekaar verdedigen in hun verenigde strijd tegen de alle samenzweringen om de Moslims te onderdrukken. Het zal ook de dag zijn dat Moslims hun kennis over de ware Islam zullen uitdiepen.

Laat ons bidden dat die dag snel zal komen.

In deze lezing wil ik proberen om een gemeenschappelijk doel en een gezamenlijke strategie uiteen te zetten voor Moslims in de wereld van vandaag. Het is gebaseerd op het unieke boek dat voor alle Moslims beschikbaar is, de Schitterende Quran. De leer in dat boek is in staat om de verschillende splitsingen, tradities en sektes te overstijgen en de Moslims opnieuw te verenigen. Het kan de universele broederschap van alle Moslims doen herleven.

Tot op vandaag is de Quran het enige boek dat van iedere vorm van corruptie gevrijwaard is gebleven. Hoewel vijanden van de Islam (zowel van buitenaf als van binnen in, de grote supermachten en wereldrijken van die tijd, de khaliefen en koningen en de kwaadaardige ulema) er alles aan gedaan hebben wat in hun macht lag om de Quran te vernietigen of te veranderen, ze hebben steeds gefaald. Hun angst voor de Quran bleef voortbestaan, zelfs toen ze geleerd hadden om niet langer het boek zelf, maar de interpretatie ervan te veranderen. De vijanden van de Islam hebben er alles aan gedaan opdat de Quran niet langer het referentiekader van de Moslims zou zijn voor hun levenswijze en hun manier van denken. Zelfs niet voor theologie-studenten. En voor wie toch ondanks alles hartstochtelijk van de Quran bleef houden, hebben die vijanden manieren bedacht om de aandacht af te leiden van naar de schitterende kaft, de prachtige kaligrafie of de sublieme recitaties. Zo lang men maar niet over de inhoud nadacht.

Los van alle samenzweringen uit het verleden om de Quran te ondermijnen en de voortdurende tegenstellingen tussen Moslims, zijn alle Moslims over de hele wereld, oud en jong, ongeletterd of intellectueel, shi’iet of soenniet, Oosters of Westers, van om het even welke culturele achtergrond het er over eens dat de Quran de basis van de Islam moet zijn. Ondanks de vele pogingen om de Quran te veranderen of te vernietigen, heeft het boek steeds overleefd en is het in al die tijd steeds letterlijk hetzelfde gebleven. Bewuste Moslims hebben dus de verantwoordelijkheid om de Quran opnieuw te introduceren in de Moslim gemeenschappen.

Waar moeten we beginnen? Het is een goed idee dat bewuste en bezorgde moslims mekaar proberen te ontmoeten in de plaatselijke moskee, de religieuze school of om het even welk ander religieus, wetenschappelijk of cultureel centrum, in de stad of in een dorp, op kantoor of zelfd in de fabriek. Overal moeten we samen basisgroepen oprichten om de Quran te bestuderen. Als we zo’n project opzetten, moeten we leerhuizen op alle mogelijke niveaus oprichten. Ons ultieme doel is dat iedere moskee en iedere religieuze school of bijeenkomst hun leer concentreert op de Quran. Maar we moeten ook begrijpen dat we, om de Quran beter te begrijpen, af en toe aandacht zullen moeten hebben voor de uitspraken en het leven van de Profeet en zijn trouwe en rechtvaardige metgezellen. We moeten hun woorden en daden samen met de Quran bestuderen.

De Heilige Quran zou steeds bij iedere Moslim aanwezig moeten blijven, zo zeer dat zijn schitterend licht je hart verlicht. Onder die omstandigheden, zullen afsplitsingen en verschillen verdwijnen en zal eenheid en samenhorigheid ontstaan in het licht van de Quran. Uiteindelijk zullen de woorden van de Quran het pessimisme en het onbegrip doen wijken voor optimisme en begrip.

Aangezien we vandaag het martelaarschap gedenken van Imam Ali, zou het een goed idee zijn om stil te staan bij zijn denken en handelen, bij zijn karaktertrekken en zijn levensverhaal. Maar ik heb besloten om in de plaats daarvan een soerah uit de Quran te bespreken. Ik beweer niet dat ik een bevoegde exegeet ben of dat ik zeer geleerd ben en de Quran door en door ken. Ik wil alleen een voorbeeld geven om aan te tonen dat de Quran een levend en hedendaags boek is. Dat is niet zomaar een vooroordeel van de gelovige Moslims, maar het is duidelijk merkbaar voor iedereen, Moslim of niet-Moslim, die het boek eerlijk, nauwkeurig en met een open geest onderzoekt.

We zullen Soerah al-Rum uit de Quran onderzoeken, Soerah 30. Dit Soerah zou net zo goed voor de hedendaagse Moslims geopenbaard kunnen geweest zijn. Het bespreekt heel nauwkeurig onze hedendaagse wereldorde. Het is daarenboven een buitengewoon motigerende en levende boodschap voor iedere hedendaagse verantwoordelijke persoon, in het bijzonder voor die verlichte Moslims die energiek volharden in hun strijd om kennis en bewustzijn te brengen voor de verstoten mensen in hun samenleving en die tegen alle frustratie en oppositie in verantwoordelijke Moslims blijven, die stevig blijven streven tegen iedere vorm van onderdrukking.

Zoals we al zeiden gebruiken we dit soerah als een voorbeeld om aan te tonen dat de Quran steeds weer levend is, terwijl al het andere wat bestaat steeds opnieuw veranderd. Sommige wezens sterven, andere worden geboren. Ook de verlangens, de pijn, de gedachten en het lot van mensen en samenlevingen veranderen voortdurend. De Quran, het Woord van God, daarentegen blijft steeds hetzelfde doorheen alle veranderingen en evoluties van de wereld. Het blijft in ieder tijdperk en op elke plaats geldig, wat ook de politieke, culturele of sociale omgeving is, welke klassen er ook bestaan. De Quran toont steeds de weg naar vrijheid voor ieder bewust individu.

Nog een laatste opmerking voor we beginnen met onze bespreking van soerah al-Rum. Ik wil me nog even verontschuldigen voor het feit dat ik dit soerah op deze manier voorstel, binnen het bestek van één lezing en niet zoals dat traditioneel gebeurt door in detail in te gaan op de interpretatie van ieder woord. Omdat onze tijd beperkt is, zullen we niet de hele tekst van het soerah kunnen bespreken. We zullen de nadruk leggen op die ayaat die de centrale boodschap van het soerah uitdukken. We moedigen het publiek aan om zelf, met de hulp van bestaande interpretaties, het hele soerah te bestuderen. Door concentratie en onverdeelde aandacht kan de diepe betekenis van het hele soerah ontdekt worden.

Alleen dan kunnen we spreken van een oproep om “terug te keren naar de Schitterende Quran”. Wanneer verantwoordelijke en verlichte zielen in Moslim gemeenschappen, op zoek naar een methode, een ideologie, een oplossing voor de problemen waar hun land mee kampt, zouden terugkeren naar het beste boek, dan zouden ze er de lessen uit kunnen leren. Ze zouden de unieke en wonderbaarlijke natuur van de Quran echt leren kennen.

in naam van God
de Barhmartige, de Erbarmer

A L M

de Romeinen zijn verslagen
in een land dicht bij

maar na hun nederlaag
zullen zij zeker zegevieren
binnen een paar jaar

God heeft de leiding
van tevoren en nadien

en op die dag
zullen zij die vertrouwen
zich verheugen

( 30 : 1-4 )

Deze ayaat zijn het hart, de essentie van het hele soerah. De Quran maakt en voorspelling waar niemand zich bewust van is. Hij geeft een accurate beschrijving van wanneer “iets” zal gebeuren. Wat? Waar? Wanneer? Zoals aan de Profeet Mohammed werd geopenbaard, voorspelt deze ayah dat de Byzantijnen (de Romeinen) tien jaar na hun nederlaag zullen zegevieren in een land dat dichter bij is. Denk eraan dat die voorspelling niet zomaar de persoonlijke mening van de Profeet was. Als hij aan de waarachtigheid van de voorspelling had getwifeld, dan had hij ze nooit vermeld. Denk er ook aan dat de Profeet Mohammed niet zei dat die gebeurtenis “in de nabije toekomst” zou plaatsvinden, zodat ze even goed geïnterpreteerd kon worden als “binnen dertig jaar” of zelfs als “binnen honderd jaar”. Hij voorspelde ondubbelzinnig hoe lang het na de nederlaag zou duren voor ze opnieuw zouden overwinnen.

De geschiedenis leert ons dat die voorspelling klopte. Zoals zo veel andere uitspraken in de Quran, laat ze ons geloven in zuivere mirakels die buiten het menselijk begripsvermogen liggen. Sommige ideeën lijken eerste onlogisch, maar wanneer een fenomeen zich doorheen de Quran steeds opnieuw op dezelfde manier openbaart en wanneer dat steeds opnieuw door de profeet herhaald wordt, beginnen mensen te vertrouwen in die Quran en die Profeet als een unieke bron van kennis en wijsheid.

Om herkend te worden door gewone mensen, moesten profeten wel mirakels verrichten. Vooral tastbare mirakels, zoals deze verricht door Mozes, Jezus, Mohammed en alle andere profeten. De gave om mirakels te verrichten, overtuigde de ongeletterde mensen dat de kennis en de kracht van die profeten ontstond uit een bron voorbij de fysieke realiteit, met andere woorden een bron in het onzichtbare. Ongeletterde mensen verlangden dat een Profeet een steentje in goud zou veranderen voor ze hem zouden geloven. Bewuste mensen daarentegen, die inzicht hadden in deze wereld, aanvaardden de profeten niet op basis van hun mirakels, maar eerder op basis van de boodschap die ze brachten.

Een gelovige met dat inzicht, erkent de waarde van de Quran op basis van de inhoud, het ritme, de klank en de harmonie van de woorden, die bevreemdend zijn en heel anders dan de woorden van mensen. Zelfs zonder voorspellingen of mirakels zou een bewuste mens met kennis en inzicht zich realiseren dat de Quran een uniek boek is. Dat betekent dat de Quran zelf het grootste mirakel is van de Profeet Mohammed. Hij werd gestuurd voor de tijd van de Profeet en voor alle tijdperken die daarna nog komen, voor de tijd waarin mensen een vele hoger niveau van bewustzijn, begrip en verstand zullen bereikt hebben, waarin ze de Quran zullen herkennen en erkennen als het woord van God en als het beste bewijs van het feit dat Mohammed Gods Boodschapper was.

De eerste Moslims (Khadija, Ali, Abu Dhar, Ammar, Salman…) vroegen nooit een mirakel van de Profeet. Van zodra de Profeet begon te spreken, herkenden ze de waarde van zijn boodschap. Toen Abu Dhar bijvoorbeeld, na een lange tocht door de woestijn bij de profeet kwam, vroeg hij wat dat profeetschap betekende. Het simpele antwoord van de Profeet “Ik ben degene op wie de levende zielen wachten”, overtuigde Abu Dhar. Bewogen door zijn vertrouwen en zijn waarachtigheid schonk diezelfde Abu Dhar vanaf toen zijn eigendom en zijn hele leven om de boodschap van die profeet te ondersteunen en verder te verspreiden.

Een ander voorbeeld is Ali die als jongen van acht jaar bij zijn oom de Profeet moest inwonen omwille van problemen in de famile. Toen die de Profeet en zijn vrouw Khadija zag bidden en buigen, vroeg hij hen waarom ze dat deden. Het antwoord van de profeet was opnieuw heel eenvoudig. Hij zei dat hij door God was uitgekozen om de mensen aan te spreken en hen twee essentiële principes uit te leggen. Eerst en vooral dat God één is en de enige ware god, terwijl alle andere goden vals zijn. En dan dat Mohammed zijn Boodschapper is. Ali reageerde op een vreemde manier. Hij vertelde de profeet dat hij met zijn vader wilde overleggen. De profeet ging akkoord en na het gesprek ging Ali alleen in zijn kamer liggen. Hij dacht de hele nacht na. De volgende ochtend, nog voor hij met zijn vader had gepraat, zocht hij de Profeet opnieuw op en vroeg hem om in de Islam te mogen treden. Ali legde uit hoe hij de hele nacht hard had nagedacht over hun gesprek en dat hij tot de conclusie was gekomen dat God niet eerst bij Abu Talib, Ali’s vader was gaan overleggen voor hij Ali had geschape, Ali moest dus zelf ook niet eerst bij zijn vader gaan om toestemming te vragen om God te mogen aanbidden. Hij herhaalde zijn vraag om in de Islam te mogen treden. De Profeet vervulde zijn wens. Terwijl hij de hand van zijn oom, Gods Boodschapper, schudde, zweerde hij trouw. De beroemde geschiedkundige Thomas Carlyle schreef: “Toen dit kleine handje in die grote sterke hand van de profeet lag, veranderde de koers van de geschiedenis.”

Dit is de manier waarop bewuste mensen geloven, zij verlangen geen fysieke mirakels.

Nu terug naar soerah al-Rum. Zij die dit soerah kenden, waren gefascineerd door deze voorspelling die later werkelijkheid werd. Het accuraat voorspellen van het verlies van het Byzantijnse Rijk en hun overwinning tien jaar later, was een mirakel dat getuigde van het profeetschap van de Profeet Mohammed en van het feit dat de Quran inderdaad het woord van God was.

Maar was het enige doel van dit soerah om de toekomst te voorspellen? Spreekt het alleen maar over die ene gebeurtenis uit de voorspelling, een eenmalige gebeurtenis lang geleden die nu al lang niet meer relevant is? Kunnen we in deze ayaat geen dieper liggende boodschap ontdekken voor de die in de corrupte wereldorde van vandaag moeten leven en inzicht proberen te krijgen in hun problemen? Is er geen andere boodschap voor de verlichte zielen die koortsachtig op zoek zijn naar een ideologie, een boodschap of een manier om hun belofte en hun plicht tegenover de mensheid te vervullen?

Is het mogelijk dat de Quran een heilige boek is waarvan de voorspellingen slechts een beperkte houdbaarheidsdatum hebben? Dat kan niet. Achter het grote mirakel moet een grote boodschap liggen. Denk aan de zonsopgang. Oppervlakkig gezien, lijkt iedere zonsopgang hetzelfde. Maar in werkelijkheid gaat de zon steeds weer over een andere wereld op. Samenlevingen, systemen, naties en generaties wisselen mekaar af. De zonsopgang brengt steeds weer leven, warmte en inzicht. Het lijkt alsof die door de eeuwen heen onveranderd blijft. De mensheid heeft Quran nodig, net als zonneschijn. Los van de tijd waarin we leven, de cultuur of familie waarin we opgroeiden, de technologische, economische of politieke omstandigheden. We moeten de Quran ook niet vergelijken met de woorden van om het even welke autheur, dichter, filosoof of socioloog.

De volgende beschouwingen over het Byzantijnse Rijk, kunnen aantonen dat de Quran nog steeds springlevend is. Stel dat er vandaag opnieuw een profeet naar de wereld zou komen, die een actuele boodschap voor de mensheid geopenbaard zou krijgen, dan zou dat even goed opnieuw soerah al-Rum kunnen zijn.

Om de titel van het soerah uit te leggen en om de gelegenheid van openbaring beter te begrijpen, is het nodig om eerst wat uitleg tegeven over de relevante aardrijkskunde en geschiedenis.

Hoewel de regio natuurlijk in de loop der eeuwen ingrijpend veranderd is, kan een hedendaagse kaart van het Midden Oosten ons helpen om een beter zicht te krijgen. De belangrijke regio’s zijn het Arabische Schiereiland, vooral de steden Mekka en Medina, en het grondgebied van de vroegere Perzische en Byzantijnse Wereldrijken. De Profeet Mohammed werd in die regio gebroen rond het jaar 570 nC en werd profeet toen hij veertig jaar oud was. Rond 622 was zijn missie als profeet op een hoogtepunt.

Hoe zag de wereld er uit in 622? Hoe zag de omgeving van de Profeet er toen uit? Het soerah werd geopenbaard in Mekka, voor de profeet migreerde naar Medina. In die tijd had de profeet maar heel weinig metgezellen, er waren haast geen Moslims. Op een paar uitzonderingen na, waren al die moslims ook straat arm en werden op de koop toe vervolgd en gemarteld door niet gelovigen. De meesten van die eerste Moslims waren dakloze vreemdelingen, vervreemd van de rijke families en de heerers in Mekka. Afgesneden van alle banden van de stam, van eigendom en eer, vormden ze een zwakke, ongewapende en verpauperde bende wiens gezichten verwrongen waren door de pijn en het lijden. Veel van die eerste Moslims, zoals Ammar, Yasir en Sumayyah werden ook nog eens als slaven uitgebuit door misdadige meesters en land-eigenaars uit Ta’if of Karavaan-eigenaars van de Qoeraish.

Sumayyah, een vrouwelijke zwarte slaaf uit Abyssinië, was in Mekka getrouwd met Yasir, een arme Arabische migrant die weggevlucht was uit de woestijn in Yemen. Voor hun huwelijk hadden ze allebei in armoede geleefd, dakloos en eenzaam. Toen Yasir in Mekka werk had gevonden, vroeg hij Sumayyah ten huwelijk. Zij aanvaardde. Ammar was het eerste kind uit hun huwelijk. Dat dit gemengde gezin uit de laagste sociale klasse kwam, was voor iedereen duidelijk. Toch waren zij drie bij de eersten die interesse hadden in de Islam. Ze bekeerden zich al tijdens het eerste jaar nadat de Profeet was beginnen preken. Ze wisten dat de kans groot was dat ze hiervoor door hun meesters gemarteld zouden worden als waarschuwing voor andere manensen.

Iedere dag nam Abu Jahl, één van de bekendste leiders van de heersende klasse in Mekka, het echtpaar en hun zoon mee naar de brandend hete woestijn buiten de stad, waar hij hen onder de schroeiende zon martelde tot de dag voorbij was. Tijdens elke foltersessie introduceerde Abu Jahl weer een nieuwe methode om pijn toe te brengen. Zijn doel was om hen zo ver te krijgen dat ze de Profeet zouden vervloeken. Maar Yasir, Sumayyah en Ammar bleven volarden, ondanks de vreslijke martelingen. Abu Jahl verklaarde dat hij alleen maar zou stoppen met folteren als de familie van de Profeet hem en zijn boodschap zouden verwerpen.

Om hun trouw aan de profeet en hun volharding in hun geloof te tonen, bleven de slachtoffers kalm en probeerden ze de folteringen te verdragen. De Profeet, arm en machteloos, was niet in staat om zijn volgelingen te beschermen tegen de worde van Abu Jahl. Hoewel de Profeet zelf lid was van een sterke familie, stond hij er alleen voor, zonder de minste verweermiddelen. Om het lijden van Yasir, Sumayyah en Ammar te verzachten, kon de profeet niets anders doen dan naar de folterplaats te gaan en daar getuige te zijn van de wrede folteringen. Hij kon zijn mensen niets anders bieden dan zijn troost en zijn steun.

Wanneer we horen spreken over “mensen van het zwaard”, dan denken we meestal aan genadeloze aggressieve wilden. Het is moeilijk om ons in te beelden hoe de Profeet die gekend was als moedig en sterk, tegelijk ook zo’n sterke affectie en empathie kon tonen. Zelfs de profeet Jezus had die kwaliteiten niet in diezelfde mate. De profeet van de Islam was de enige die tegelijk het zwaard van Caesar in de hand had en het hart van Jezus in zijn borstkas.

Hij was een gevoelige mens en werd gedwongen om toe te zien hoe de beste mensen, voorbeelden van liefde en vertrouwen, overgeleverd werden aan de folteraars van Abu Jahl en zijn handlangers. Jammergenoeg kon hij niets ondernemen tegen deze misdaden. Hij kon kon geen maatregelen nemen om een einder te stellen aan die folteringen.

Iedere dag stond hij bij de slachtoffers, was hij getuige van de de sadistische spelletjes van de folteraars. Hij zag hoe ze dronken werden van hun eigen wandaden en hoe ze mekaar vrolijk aanspoorden tot nog extremere vormen van foltering voor zijn volgelingen. Hij stond daar, maar kon niets anders doen dan de slachtoffers moreel steunen tijdens hun uren van machteloosheid, hopeloosheid en angst. Hij bad dat Gods hulp en overwinning snel mocht komen. De Profeet moedigde zijn vrienden aan om geduldig te zijn en te volharden in hun verzet.

Iedere dag stond de Profeet van de Islam te kijken naar de oude trouwe zwarte vrouw Sumayyah, de oude arme liefdevolle en trouwe man Yasir en de opgroeiende jonge man die helemaal ingenomen werd door de liefde voor God en zijn Profeet, ‘Ammar. Ook al werden ze voortdurend gefolterd, deze slachtoffers bleven een bloedig symbool van koppig verzet tegen onrecht en van een ongeziene mentale kracht. Telkens wanneer ze de Profeet zagen aankomen, probeerden de slachtoffers hun pijn en hun wanhoop te verbergen. Ze probeerden kracht, zelfbeheersing, vreugde en toewijding en liefde voor God en zijn Profeet te tonen. Nadat hij gedeeld had in de pijn en het verdriet van zijn gefolterde vrienden, vertrok de Profeet weer.

Iedere dag werd dit tafereel herhaald, tot de Profeet op een dag aankwam en Summayah en haar man nergens vond. Ook de folteraars waren nergens te bespeuren en nergens hoorde hij de kreten van Abu Jahl en zijn handlangers. Midden in het doodstille dal van Mekka zag de Profeet alleen ‘Ammar, die de ernst van een Ethiopiër, de gevoeligheid van een Arabier en het bewustzijn van een Moslim in zich had. Nu zag hij ‘Ammar alleen in de woestijn. Zijn handen en voeten waren niet vastgebonden, niemand bewaakte hem. Waarom bleef hij dan op die plaats van onheil?

Toen de Profeet dichterbij kwam, merkte hij dat ‘Ammar in een ongewone houding zat. Een houding die hij zelfs tijdens de meest ernstige folteringen niet had aangenomen. Hij hield zijn hoofd tegen zijn borst gebogen en probeerde zijn gezicht te verbergen voor de Profeet. Aangezien hij al vaak de kracht en het uithoudingsvermogen van ‘Ammar had gezien, was de Profeet verbaasd om hem nu zo zwak en hopeloos te zien. Hij probeerde ‘Ammars hoofd op te tillen, hij raakte zijn krullend haar aan. Hij vroeg ‘Ammar om hem aan te kijken, maar deze reageerde niet. Hij herhaalde zijn verzoek, maar merkte hoe er nu tranen vielen uit dat verborgen gezicht. ‘Ammar deed nog meer zijn best om de Profeet niet aan te kijken.

Nu besefte de Profeet dat ‘Ammar de wreedst mogelijke foltering had moeten ondergaan. Hij was gedwongen getuige geweest van de pijnlijke marteldood van zijn ouders. Hun lichamen waren verwijderd, maar ‘Ammar was gebleven. Waarom? Waarom was hij niet naar de stad teruggekeerd? Terwijl ‘Ammar huilde, probeede de Profeet hem te kalmeren. Hij sprak een rouw-gebed uit voor zijn ouders en loofde hun uithoudingsvermogen, hun vertrouwen, hun liefde.

Maar ‘Ammar was niet bezorgd over het lot van zijn ouders. Hij leed aan een ondraaglijke pijn. Hij zei: “O Boodschapper van God. Ik heb uiteindelijk dat gezegd waar ik al zo lang een afschuw van had.” De Profeet begreep dat ‘Ammar gebroken was nadat hij had moeten zien hoe zijn ouders tot de dood gefolterd werden. Zoals iedere mens, had ook ‘Ammar gevoelens en emoties die zijn uithoudingsvermogen begrensden. Toen ‘Ammar uiteindelijk gebroken was, deed hij Abu Jahl een plezier en zichzelf onnoemlijk veel pijn door God en zijn Profeet af te zweren. Als beloning was hij vrijgelaten.

Toen hij even later weer bij zijn volle bewustzijn kwam, voelde hij de pijn van de folteringen niet meer. Hij hoorde de kreten van Abu Jahl en zijn handlangers niet meer. Het begon tot hem door te dringen dat hij niet meer vastgebonden was. Eerst was het moeilijk om zich te herinneren wat er precies gebeurd was, maar al snel drong het tot hem door dat hij bezweken was onder de ondraaglijke folteringen en dat hij gedaan had wat de vijanden van de Islam wensten. Hij schaamde zich diep. Hij kon deze schande moeilijker verdragen dan de folteringen van Abu Jahl en zijn handlangers. Hij schaamde zich zo diep dat hij niet eens meer dacht aan de dood van zijn ouders. Hij was bang om terug naar huis te gaan en de Profeet te moeten aankijken. Hij stond alleen in de woestijn, dakloos en hulpeloos. De Profeet voelde de pijn van ‘Ammar en sprak tot hem: “Maak je geen zorgen als je iets gezegd hebt dat je niet meende. God vergeeft.” ‘Ammar vond weer een sprankel hoop.

‘Ammar kon zijn leven opnieuw oppakken. Hij leefde nog dertien jaar voor de Hijra en nog veertig jaar erna. Iedere dag bleef hij de Islam verdedigen. Zo lang de Profeet leefde en tot aan de tijd van Uthman (de derde Kalief), nam ‘Ammar deel aan talloze veldslagen. Zelfs wanneer hij oud geworden was en zijn krachten het lieten afweten, bleef hij zich inzetten voor de Islam. Tientallen jaren nadat hij vernomen had dat zijn loochening van God en zijn Profeet hem vergeven was, bleef ‘Ammar zich nog inzetten om het goed te maken.

Velen hadden de Profeet horen zeggen dat ‘Ammar zou sterven door de hand van de onderdrukkers. Toen hij oud geworden was, en wist dat hij niet meer in staat was om met een zwaard te vechten, besloot hij om met blote handen te vechten in het leger van ‘Ali tijdens de veldslag van Sifin. Hij deed zijn uiterste best om, ondanks zijn zwakheid en zijn leeftijd, toch te vechten. Hij voelde dat het leger van Mu’awiya hem zou doden en hij wist dat ze zich op die manier zouden ontmaskeren. Het leger van Mu’awiya was er zelf ook op belust om ‘Ammar te doden, behalve diegenen die gehoord hadden over de uitstpraak van de Profeet. ‘Ammar deed zijn best om op de eerste rij van het gevecht te geraken. Hij vocht moedig, maar hij werd gedood. Toen hij omkwam, schreeuwden de volgelingen van Mu’awiya niet alleen dat ‘Ammar gedood was, maar ze herinnerden zich ook wat de Profeet over hem had voorspeld. Ze begonnen onder mekaar te discussiëren en raakten in de war. Dit versterkte de overtuiging van de Moslims die voor ‘Ali vochten. Dit toont hoe uniek de dood van ‘Ammar was geweest.

Bilal was een ander slachtoffer van de folteringen van de Moslim-haters. Zijn folteraar was Umayyat ibn Khalaf. Iedere dag brachten ze hem naar een plaats buiten Mekka, waar een vat water verwarmd werd in de brandende woestijnzon. De folteraars duwden het hoofd van Bilal in dat water tot hij bijna stikte. Toen ze zijn hoofd loslieten, snakte hij naar adem waarna hij zei “Ahad” (dat betekent “één”, hij bedoelde dat God één is). Hoe zwaar de folteringen ook werden, Bilal bleef maar herhalen “Ahad. Ahad.” Toen hij het bewustzijn dreigde te verliezen en bijna dood was, lieten ze hem liggen, uitgeleverd aan de brandende zon van de woestijn en de spottende opmerkingen van voorbijgangers. Hij werd zonder mededogen gepest, vervloekt, en bespuwd. Zijn pijnlijke lichaam werd over de grond gesleurd. Maar zijn uitroep “Ahad! Ahad!” ging niet verloren. Omwille van deze gebeurtenissen werd “Ahad!” de slogan die moslims uitriepen tijdens iedere strijd. Het is één van de unieke ergenissen die Bilal naliet.

Deze verhalen tonen hoe de eerste Moslims in Mekka moesten leven. Ze illustreren de kracht van de mensen die de arme en eenzame Profeet steunden in zijn strijd. Ze hadden niet dezelfde rechten als gewone Arabieren in Mekka. Ze mochten niet eens bidden bij de Kaäba, die normaal gezien toegankelijk was voor iedereen. Ze werden blootgesteld aan alle mogelijke vormen van misbruik en geweld. De Profeet werd vervloekt, het slachtafval van schapen werd over hem uitgestort. Hij werd gestenigd wanneer hij wilde bidden. In die moeilijke situatie was er alleen een kleine groep arme, eenzame en dakloze personen die hem bleven steunen. Maar juist in die omstandigheden, in die tijd van zwakte, wanhoop en hulpeloosheid, zei de Profeet tot zijn volgelingen: “Jullie zullen de overwinnaars van de geschiedenis zijn. Niet de supermachten, de grote wereldrijken, de Caesars van deze wereld, maar jullie, de Moslims, zullen de wereld leiden. Jullie zullen niet alleen regeren over Arabië, Mekka of de stam van de Qoeraish, maar jullie beweging zal ook Perzië en Byzantium, Yemen en Egypte veroveren.” Dit waren de woorden van een eenzame leider, wiens volgelingen geleden hadden onder de vervolgingen, uitgemoord waren of verplicht om te vluchten naar Abyssinië om aan het gevaar van de Qoeraish te ontsnappen. Deze leider van die kleine groep Moslims sprak met overtuiging. Hij vertelde zijn volgelingen dat zij over de wereld zouden regeren.

De Profeet verzekerde hen dat, ook al zouden alle intellectuelen van zijn tijd hen uitlachen, de Moslims uiteindelijk zouden regeren over de grote beschavingen in het Oosten en het Westen. Wie waren die intellectuelen in de tijd van de Profeet? Een deel van hen waren rijke zakenmannen, die land bezaten in Ta’if of goederen importeerden uit Iran, Byzantium, Yemen of Syrië. Anderen hadden al kennis gemaakt met andere religies. Tot slot waren er ook nog verschillende mensen die door hun zakelijke banden met het Perzische Rijk voldoende bekend waren met vreemde culturen en talen. Zij waren het die neerkeken op de Quran. Ze vonden dat boek niet meer dan een vreemde verzameling oudbollige verhalen, waarvoor zij veel betere alternatieven kenden. Daarom gingen ze naar de Masjid al-Haram om er aan een Arabisch publiek de verhalen te vertellen over Rustam, Esfandiar en Ashkabus. Door dat soort optredens, probeerden de intellectuelen de bevolking af te leiden, zodat ze niet zouden nadenken over de boodschap van de Profeet.

In tegenstelling tot die intellectuelen, die alle mogelijke kennis hadden over de weereld en over het heelal, was de profeet maar een onwetende leek. Hij was nooit verder geweest dan de naburige regio’s en meestal bleef hij dicht in de buurt van Mekka. De Profeet had geen andere heilige boeken gelezen en bestudeerd. Hij was niet bekend met de andere bestaande beschavingen en culturen, wereldrijken, religies en machthebbers. Verder wist de Profeet niets over de sterkte van de legers van die wereldrijken of over de verschillende soorten wapens die deze legers gebruikten. Hij had absoluut niet voldoende informatie om in te schatten hoe sterk deze supermachten waren. De volgelingen van de Profeet waren nog slechter af. Zij hadden geen enkele toegang tot wetenschappelijke kennis, geen enkele ervaring met kennis opdoen en ze hadden een heel lage sociale en culturele status. Ze behoorden bijna allemaal tot de onderklasse van de maatschappij.

Die intellectuelen keken neer op de zoon van Abdullah en de arme mensen die hem omringenden. Hield deze Profeet alleen zijn volgelingen voor de gek, of geloofde hij zelf wat hij zei? Hoe kwam hij erbij om zijn vrienden te verzekeren dat zij, als ze zich zouden inzetten en vertrouwen op Allah, over de wereld zouden regeren? Hij wist niets over aardrijkskunde, zijn kennis over de wereld was beperkt tot Mekka, Medina en een handvol Arabische stammen. Ze beweerden ook dat de Profeet niets wist over het Arabisch legioen van het Byzantijnse leger, dat uit meer dan honderdduizend militairen bestond, allemaal uitgerust met de beste wapens. En dat was alleen nog maar de noordelijke divisie van het leger. De zuidelijke divisie bestond uit evenveel goed uitgeruste en getrainde ruiters. Als beide divisies samen ten strijde trokken, dan vormden ze een krijgsmacht van tweehonderdduizend goed bewapende militairen. De Perziërs hadden zevenhonderdduizend soldaten naar Griekenland gestuurd, terwijl vijfhonderdduizend soldaten in hun noordelijk leger dienden en driehonderdduizend goed bewapende soldaten gelegerd waren in Isfahan. Ieder paard in het Perzische leger had een zadel en versieringen die meer waard waren dan alle wapens van de Arabieren samen.

Maar, hoewel hij over al die zaken niet veel wist, vertelde de Profeet aan Bilal, Khubab, ‘Ammar, Summayah, Salman en de anderen dat zij, als ze hard zouden werken en rechtvaardig zouden leven, over de hele wereld zouden regeren.

De Profeet wist niet dat heel Arabië, alle stammen en steden van Arabë en Yemen, voor de Perziërs of de Byzantijnen om niet waardevol genoeg waren om te veroveren. Dat betekende dat de Arabieren voor hen niet eens de moeite waard waren om hen als slaven te dienen, om door die grootmachten gecoloniseerd te worden. Toen de Perziërs Griekenland en Egypte binnenvielen, maakten ze om tot in Egypte te geraken, een omweg rond het Arabisch schiereiland heen. Egypte werd veroverd.

Irak, de Rode Zee, Turkije en Griekenland maakten in de zevende eeuw allemaal deel uit van het Byzantijnse Rijk. Toen de Profeet zijn boodschap begon te verspreiden, was de hele bekende wereld verdeeld tussen het Perzische en het Byzantijnse rijk. Deze twee grootmachten van die tijd waren allebei machtige beschavingen met sterke legers. De hele wereld was tussen die twee staten verdeeld. Het leven en het lot van alle volkeren en beschavingen werden gepland en gecontroleerd vanuit Constantinopel of Ctesiphon, de hoofdsteden van het Byzantijnse en het Perzische Rijk. Als er landen of volkeren bestonden die niet door de Perzische of Byzantijnse heersers werden geregeerd, dan was dat niet omdat ze sterk en onafhankelijk waren, maar omdat ze niet belangrijk genoeg waren voor die grootmachten. Ze waren politiek, economisch en historisch waardeloos. Het was voor de supermachten de tijd en de moeite niet waard om die landen te proberen veroveren.

Tijdens de zevende eeuw lag Mekka dus midden tussen de twee sterkste beschavingen, ideologieën, filosofieën, sociale systemen, militaire structuren en samenlevingsvormen van die tijd. De Perzische en Byzantijnse legers waren hadden de meest gesofesticeerde en de meest moderne wapens van die tijd. Perzië heerste over het hele Oosten, terwijl de Byzantijnen over het Westen heersten. Maar Mekka en Medina waren twee kleine dorpen waar noch de Byzantijnen, noch de Perziërs interesse in hadden. De Byzantijnen zagen het niet zitten om door de barre Noordelijke Woestijn te trekken om bij Medina te komen. De Perziërs van hun kand hadden geen zin om door Rab’-al-Khali en de hete woestijn van Najd te trekken om zo in Mekka te komen. Want, alles wel beschouwd, wat was Mekka eigenlijk? Er was een simpele tempel (de Ka’bah) en de inwoners waren karavaan-handelaars en herders. Het was een onvruchtbaar gebied waar haast niets wilde groeien. En wat viel er in Medina te halen? Een paar palmbomen, twee grote stammen van boeren en een paar Joodse families die naar gewoonte handel dreven en zaken deden.

We zouden ons kunnen afvragen welke wereld hier beschreven wordt, die van de zevende eeuw of die van vandaag.

De Profeet woonde in Mekka, een klein dorp dat vooral bekend was voor zijn tempel. Dat dorp was in die tijd aan het uitgroeien tot een heuse stad, die kon profiteren van zijn ligging op het knooppunt van karavaanroutes. De Zijderoute was één van de belangrijkste economische aders die zich uitstrekte van China tot in Rome. Ze passeerde door Perzië en doorkruiste het noorden van Arabië (dat vandaag voor een deel in Turkije ligt). Door de oorlog tussen de Perziërs en de Byzantijnen, probeerden meer en meer handelaars echter de Zijderoute te vermijden wanneer ze Chinese en Perzische goederen naar Europa wilden krijgen. De woestijn was echter een meedogenloze bloedhete plaats waar niets groeide. De enige manier om door deze onherbergzame omgeving te trekken, was met kamelen. Zakenlui moesten dus onderhandelen met kameel-eigenaars of Arabische caravaandrijvers om hun goederen door de woestijn te vervoeren. Mekka en Medina liggen aan de westelijke rand van de woestijn.

Veel geschiedkundigen verwijzen onterecht naar de Aristocratie van de Quraish en beweren dat er veel aristocraten in Mekka woonden. Ze beseffen waarschijnlijk niet dat Mekka op zich niet veel meer was dan een tempel. Hoeveel zou de totale eigendom van Abu Sufjan waard geweest zijn? Waaraan moest iemand in die tijd voldoen om tot de aristocratie te behoren? Wie een paar kamelen bezat of regelmatig als onderhandelaar mocht optreden bij zaken, werd waarschijnlijk al als een aristocraat beschouwd. Als we echter in Perzische of Romeinse boeken uit de zevende eeuw op zoek gaat naar het woord “Arabië”, dan zul je die bijna nergens tegenkomen. Slechts in een paar Griekse manuscripten word die term gebruikt. En dat zijn dan eigenlijk nog verwijzingen naar Yemen, een land waarover gesproken werd omwille van zijn vruchtbaarheid en zijn betekenis als brug tussen Perzië en Abessinië.

In deze regio, waar de Perzische en Byzantijnse grootmachten zo weinig aandacht voor hadden en dat ze zelfs de moeite niet waard vonden om te veroveren, dat de Profeet geboren werd, dat hij openbaringen doorkreeg, zijn boodschap verspreidde en de Islamitische Revolutie aanvatte. In die omstandigheden zou het niet vreemd geweest zijn als zo’n beweging, als een zandstorm in de woestijn, kort en hevig zou zijn. Men zou verwachten dat ze snel weer zou verdwijnen, de wereld buiten Mekka zou normaal gezien nooit over die beweging horen. Hoe zou de kracht van zo’n beweging ooit verder te voelen zijn dan in Mekka zelf? Als de Profeet en zijn volgelingen in hu opzet zouden slagen, dan zou de dreiging van de revolutie zou hoogstens in Mekka zelf gevoeld worden. Wat zou er kunnen gebeuren als zij zouden slagen?

In die hopeloze situatie, waarin een groep arme en onderdrukte, ongeletterde, dakloze, vervreemde, gefolterde en hulpeloze mensen niets kon doen om de beulen ervan te weerhouden hen en hun vrienden te folteren, probeerde de Profeet van de Islam hen te troosten. Hij verzekerde zijn volgelingen dat, als ze vertrouwden op de Islam, zouden regeren over de hele wereld.

De zogenaamde intellectuelen vonden het belachelijk en lachten hem en zijn volgelingen uit. Zij geloofden er niets van. Wisten die schooiers eigenlijk wel iets over de wereld? Wisten ze eigenlijk wel iets over hoe macht werkt? Hadden ze er enig idee van wie de meeste wapens had en wie of wat er de Romeinen had kunnen verslaan? Alleen de Perziërs waren, misschien, in staat om het Byzantijnse Rijk te verslaan.

Gedurende elf eeuwen (van 550 vC tot 622 nC) hadden het Perzische en het Romeinse rijk de hele wereld in hun macht en vochten ze voortdurend tegen mekaar. De Arabieren worden nauwelijks vermeld in de geschiedenis van dat tijdperk. Ze waren zichtbaar geworden door de handelsroutes en een paar kameel-eigenaars en karavaandrijvers maakten kennis met een aantal zakenmensen. In die tijd onderging een dakloze man, die in het huis van zijn oom woonde en zichzelf niet eens kon verdedigen tegen die kameel-eigenaars, talloze moeilijkheden in zijn leven. Hij huwde de vrouw voor wie hij werkte, een vrouw die veel ouder was dan hij zelf. Dat was de man die durfde beweren dat de Moslims de hele wereld zouden veroveren. Deze surah bevestigt dit.

A L M
de Romeinen zijn verslagen

( 30 : 1-2 )

Zelfs met deze geografische en geschiedkundige verduidelijking, is het nog steeds onduidelijk of hetgeen besproken wordt over vandaag gaat, of over de wereld van veertien eeuwen geleden. De omstandigheden vandaag zijn heel gelijkaardig. Zelfs de termen zijn niet eens veranderd. Dezelfde polarizatie tussen de grootmachten bestaat, waarbij de geografische posities licht gewijzigd werden. De Moslims bevinden zich in dezelfde, of zelfs in ergere problemen. Het Oosten en het Westen van de wereld worden door grootmachten geregeerd, terwijl de Moslims, die daar midden tussenin liggen, als een deel van de Derde Wereld worden beschouwd. Jammergenoeg denken veel intellectuelen, overtuigd door de dominantie van de grootmachten van vandaag, dat het overleven van de Derde Wereld afhangt van een bondgenootschap met één van die supermachten. Die houding is natuurlijk tegengesteld aan de Islamitische overtuiging dat alleen Allah over Alle Macht en Alle Kracht beschikt.
De Byzantijnen en de Perziërs kwamen overeen hoe de wereld tussen hen verdeeld moest worden, maar er ontstonden conflicten over verschillende betwiste volkeren en landen, zoals de Armeniërs of de regio van Mesopotamië. De ene keer deden deze regio’s mee met de heersers uit het Oosten, dan weer met die uit het Westen. Ook Georgië was zo’n regio waarover getwist werd. Om het conflict op te lossen kreeg dat land een gouverneur die door de Perziërs werd aangeduid, maar die zich aan de Byzantijnse regels en wetten moest houden.

Het Nabije Oosten was het brandpunt van conflict tijdens de zevende eeuw. Soms werden de belangrijkste handelsroutes gecontroleerd door het Oosten, dan weer door het Westen. Soms trokken de Byzantijnen helemaal op tot in Ctesiphon, op andere momenten bereikten de Perziërs het hart van het Byzantijnse Rijk.

Precies zoals dat vandaag voortdurend gebeurd, hadden de Arabieren voortdurend contact met één van die twee grootmachten, de Perziërs, en namen verschillende gewoontes en wetten van hen over. De Arabieren die meer in het noorden van het schiereiland woonden, namen dan weer de gewoontes en wetten over van het Byzantijnse Rijk. De bondgenoten van de Oosterse grootmacht sloten militaire overeenkomsten met de Perziërs die hen beschermden tegen de aanvallen van nomadische stammen die hun dorpen aanvielen. De Arabieren van het Noorden, de Ghassanieten, waren bevriend met de Byzantijnen. Zij vormden een bondgenootschap om samen te vechten tegen de centrale stammen. Precies zoals vandaag was het Midden Oosten het slagveld in de oorlog tussen Oost en West.

Filosofische bespiegelingen

In de zevende eeuw, toen Surah al-Rum geopenbaard werd, leefden de arabieren over het algemeen in vrij verarmde omstandigheden. De volgelingen van de profeet waren er vaak het ergst aan toe. Toch vertelde de Profeet in die omstandigheden aan de Moslims dat zij, als ze een sterk vertrouwen hadden, rechtvaardig zouden zijn en streden voor de zaak van Allah, de hele wereld zouden veroveren. Hij had het niet over de Quraish in Mekka, maar over de hele wereld, ook alle grootmachten.

Om die uitspraak belachelijk te maken, vroegen de intellectuelen hem over welke wereld hij het dan wel had. Ze zeiden dat Mekka in het midden lag tussen twee grootmachten, die de hele wereld onder mekaar verdeeld hadden. Zelfs als alle Arabieren de Profeet zouden steunen en de wapens zouden opnemen, dan zouden ze nog niets kunnen doen tegen de grootmachten van het Westen en het Oosten. De intellectuelen vroegen zich luidop af hoe de Moslims, die zich niet eens konden verdedigen tegen Abu Jahl en Umayyat Ibn Khalaf, dachten dat ze een kans zouden maken tegen deze supermachten.

De boodschap van de Quran was zowel bedoeld voor de zorgeloze, gesofesticeerde inttelectuelen, die heel goed het Oosten en het Westen kenden, als voor de verantwoordelijke verlichte zielen die zich bij de Profeet hadden aangesloten.

De verlichte Moslims werden gedwongen om vreselijke folteringen te ondergaan, maar toch namen ze de verantwoordelijkheid op zich om de rechten van de armen en de onderdrukten te verdedigen, de gevangenen van het Oosten en het Westen. De Quran spreekt beide groepen aan.

A L M

de Romeinen zijn verslagen
in een land dicht bij

( 30 : 1-4 )

Tijdens de oorlog van 624-625 nC versloegen de Perziërs de Romeinen waarna ze het Midden Oosten konden bezetten. De Romeinen hadden de veldslag gewonnen doordat de dood van hun keizer voor interne veranderingen had gezorgd. Als gevolg daarvan moesten de Byzantijnen zich terugtrekken uit verschillende regio’s en deze onder controle van de Perziërs laten.

Dit surah voorspelt dat het Westen over het Oosten zal winnen binnen een periode van minder dan tien jaar. Dat gebeurde ook, toen het Romeinse Rijk opnieuw het Midden Oosten binnen viel en de verloren gebieden terug veroverde. De Romeinse militairen geraakten zelfs tot in de buurt van Ctesiphon.

maar na hun nederlaag
zullen zij zeker zegevieren
binnen een paar jaar

God heeft de leiding
van tevoren en nadien

( 30 : 3-4 )

Het vierde ayah werd meteen na de voorspelling in ayah 3 geopenbaard als waarschuwing voor de intellectuelen en de dogmatici die zichzelf zagen als de specialisten van de internationale politiek, in staat om over de oorzaken en gevolgen van alle gebeurtenissen in de wereld commentaar en analyses te geven.

De Quran zegt “God heeft de leiding”. Het Oosten noch het Westen heerst over de wereld, alleen God regeert. Autoriteit is niet de taak van Caesar in het Westerse Rijk of Khusrow in het Oosterse Rijk. De grootmachten hebben geen controle over kracht, leven, dood, toekomst of het lot van de volkeren. God heeft de leiding, in alle gevallen. Het is nooit zo geweest en het zal ook nooit zo zijn dat de grootmachten de wereld echt onder controle hebben. Alles is voorgeschreven door God, Hij is de Almachtige.

Hoewel het Westen door het Oosten verslagen was, werd er voorspeld dat het Westen zou overwinnen. Hoe? Doordat de macht om de wereld te beheersen in de handen van Allah ligt. Dit is altijd zo geweest en het zal altijd zo blijven.

De Quran gaat verder:

en op die dag
zullen zij die vertrouwen
zich verheugen

( 30 : 4 )

Maar wat heeft het succes of het velies van de grootmachten te maken met het leven van de mu’minun, de gelovigen die in Mekka gefolterd werden? Er zijn commentatoren die schrijven dat het beter voor de gelovigen was dat de Byzantijnen overwonnen, want dat waren Christenen en dus ahl al-kitab (mensen van het boek) terwijl de Perziërs de leer van Zoroaster aanhingen. Wat een misleidende uitleg! Wat zouden de gelovigen die in Mekka gefolterd werden door Umayyat Ibn Khalaf ermee winnen als het Byzantijnse Rijk de Perziërs verslaat? Waarom zouden ze daar blij door worden? Als ze zich daarom zouden verheugen, dan zou dat lijken op de vreugde van sommige Iraniërs toen John F. Kennedy in 1960 verkozen werd.

Een andere misleidende interpretatie gaat over de geboorte van de Profeet. Sommige commentatoren zeggen dat de Profeet geboren was tijdens de regering van de “Rechtvaardige Koning”. Weten die mensen eigenlijk wel hoe “rechtvaardig” die koning Khosrow was? En daarbij, wat voor privilege zou het voor de Profeet geweest zijn dat hij geboren was terwijl één of andere zogenaamd rechtvaardige koning in een ander deel van de wereld aan de macht was?

Nog anderen zeggen dat de Byzantijnen hier de gelovigen waren aangezien zij Christenen waren en ze over een Heilig Boek beschikten. Die mensen vergissen zich doordat ze vergeten dat, bij de komst van de Profeet van de Islam, het Christendom, dat voor die tijd authentiek en hoogstaand was geweest, voorbijgestreefd was. Dat was zeker het geval voor het Christelijke Byzantijnse Rijk, dat door de Islam en door de Profeet als “shirk” (afgoderij) werd ontmaskerd. Hoe zouden het Byzantijnse Rijk de ware mu’minun kunnen zijn als zij in de drie-eenheid geloofden?

De Quran spreekt hier over Mohammeds arme en onderdrukte volgelingen in Mekka. Zij konden geen kant uit, ze konden nergens naartoe emigreren. Zelfs niet naar Medina, hun latere thuisstad. Toch werd hen verzekerd dat zij zich zullen verheugen, dat zij vrij en gelukkig zullen zijn.

Hier toont de Quran duidelijk een universele wet, een wet die in deze Surah uitgelegd wordt. Gods Amr (leiding) zal altijd blijven bestaan. Dat is de zin van de geschiedenis. Het natuurlijke gevolg van de imperialistische plannen van de grootmachten om volkeren te onderdrukken, hun invloedsferen uit te breiden, en grondstoffen van andere volkeren in beslag te nemen, is steeds opnieuw intern verval en decadentie. Imperialisme en colonialisme zullen onvermijdelijk, steeds opnieuw hun eigen vijanden voortbrengen. Hoe agressiever de uitbuitende machten worden, hoe dichter ze bij hun eigen ondergang en vernietiging komen. Uiteindelijk zullen ze, vol schaamte, al wat ze gevangen hebben weer vrij moeten laten. Denk aan wat er, niet zo lang geleden, gebeurd is met de Verenigde Staten, toen ze na een nederlaag gedwongen werden om zich terug te trekken uit Viet Nam.

Door hun enorme schaal en hun voortdurende concurrentie, blijven de twee grootmachten steeds met mekaar in conflict. Hun trots en hun militaire macht duwen hen op de weg van het militarisme, de uitbuiting en de barbarij. Maar daardoor word hun productiviteit en hun inwenige kracht aangetast. Als gevolg daarvan worden de jongeren van die landen, die actief zouden moeten zijn in de productie en in de economie, gedwongen om in verre vreemde landen te gaan vechten. Daar moeten ze doden of gedood worden en dragen ze zo hun steentje bij aan de wederzijdse verzwakking en vernietiging.

De geschiedenis leert dat Xerxes, één van de koninge nvan de Achaemenidische dynastie, duizenden jonge Perzische troepen naar Griekenland stuurde om Athene te vernietigen. Opgezweept door de trots van het militarisme op zijn hoogtepunt zeilden de Perzische jongeren over de Middellandse Zee on Griekenland in brand te steken en de hoofdstad Athene te veroveren. De hoeveelheid geld en energie, kunst en technologie die de Perziërs in deze onderneming geïnvesteerd hadden, was onvoorstelbaar. Maar helaas was dat allemaal verspilde energie.

Duizenden jonge productieve boeren, die eigenlijk hun oudere familie hadden moeten helpen bij het werk op het land, gingen ten onder. De productiviteit van een veelvoud van hen (acht à negen mensen per actieve soldaat) werd opgeslorpt om dat leger te onderhouden en te financieren. Hun energie, hun potentieel, werd in de vorm van wapenuitrustingen vernietigd bij gevechten in verre, vreemde woestijnen. Wat volgde was een confrontatie tussen vijanden die mekaar niet eens kenden en niet eens wisten waarom ze moesten vechten. (Max Weber heeft een heel eigenzinnige definitie van legers: groepen individuen die mekaar niet kennen, maar wel tegen mekaar vechten voor de belangen van individuen die mekaar wel kennen, maar niet tegen mekaar vechten.)

Samen met die honderdduizenden mensen, stuurde Xerxes duizenden boten mee om zijn troepen en hun uitrusting over de Middellandse Zee te transporteren. De meeste van die boten vergingen in een storm, waardoor duizenden jonge soldaten verdronken. Toen Xerxes het nieuws over deze ramp vernam, gaf hij zijn troepen meteen het bevel om “de storm te bestraffen omdat hij geen respect had voor het Perzische leger”. Hierdoor werd de hele ramp nog eens herhaald.

Nadir Shah, de stichter van de Afshar dynatie, is een ander voorbeeld van een koning die duizende Perzische jongeren misbruikt heeft. Hij zond hen op weg om India te veroveren en Mohammed Shah, de Mogul Maharadja, van de troon te stoten. Maar diezelfde Mohammed Shah zat niet veel later al weer terug op de troon en de Perziërs keerden terug naar huis. De hele onderneming was alleen geweest om de macht van Nadir Shah te demonstreren. Wat een hoge prijs, alleen maar om zijn macht en zijn prestige te tonen. Eén man, Nadir Shah, was verantwoordelijk voor het verlies van zo veel mensenlevens.

Voor de Byzantijnen was het niet veel beter. Zij hadden veel tijd en energie geïnvesteerd in hun Oostelijke expeditie om te bewijzen dat ze tot aan Ctesiphon konden oprukken. Wat was hun verlies? Hoeveel van de Byzantijnse jeugd ging er verloren tijdens hun veldtochten in vreemde landen? Wisten zij waarvoor ze vochten? Ze hadden hetzelfde probleem als de Perziërs. Uiteindelijk keerden die soldaten terug met veel psychisch-emotionele trauma’s.

Exact dertig jaar na al wat er met de Byzantijnen gebeurd was, trokken diezelfde Arabieren, georganiseerd in groepen van een paar duizend, door het Arabische schiereiland op naar het Perzische Rijk. Nog voordat het imperialistische Perzische leger klaar was met de oorlogsvoorbereidingen, met het bewapenen van de militairen en het repareren van de gouden versieringen voor hun strijdpaarden, veroverden de Arabieren het hele Perzische Rijk. Voor de Byzantijnen wachtte hetzelfde lot. Nog voor het Byzantijnse leger terug kon opstaan uit zijn slaap, haar officieren benoemen en de logistiek op poten krijgen, vielen de Arabieren binnen en veroverden ze het hele Byzantijnse Rijk.

De toestand in deze twee grote supermachten, was blijkbaar zo dat een goede dertig jaar na de openbaring van Surah al-Rum, Musallib ibn Kharjiah, gesteund door de khalief Umar in Medina, in staat was om het hele Perzische Rijk te verslaan. Eén van de werelds grootste legerbasissen, nabij Isfahan, was de centrale kazerne van het Perzische leger. Volgens Al-Tabari verliet de Perzische bevelhebber zijn tent om voor het Moslimleger te verschijnen, een leger dat bestond uit ongeveer drieduizend soldaten, gekleed in simpele witte gewaden en gewapend met een simpel zwaard. De bevelhebber van het grootste en sterkste leger van de wereld, uigerust met de meest geavanceerde wapens en de meest hoogstaande technologie uit die tijd, toonde zijn macht en zijn bereidheid om te vechten tegenover het Moslimleger. De bevelhebber van de Moslims stelde, zoals dat de gewoonte vast, een duel tussen de twee officieren voor, maar de Perzische generaal weigerde. Hij was niet bereid om die confrontatie aan te gaan. Hij stelde op zijn beurt voor dat ze allebei alle militaire overwinningen van hun voorouders zouden opsommen. Diegene die met de meest indrukwekkende reeks overwinningen kwam, zou het duel mogen beginnen. De bevelhebber van de Moslims aanvaardde dit voorstel. Eerst vroeg de Perzische generaal aan de Arabier wie hij was. “Ik ben de zoon van mijn vader.” antwoordde deze kort en krachtig. Daarna was het de beurt aan de Perzische officier om zijn hele waslijst met voorouders en hun heldhaftige overwinningen te reciteren. Hij gaf een volledige lijst, tot in de tijd van de grote Perzische krijgers uit het verleden. Het was duidelijk dat de Perzische generaal gewonnen had en dat hij het gevecht zou mogen winnen.

De Perzische officier gooide zijn speer naar de Moslim. Hoewel de Arabier van zijn paard viel, stond hij onmiddellijk weer op en greep naar zijn zwaard. Hij sprong weer op zijn paard en kondigde aan dat het nu zijn beurt was om te vechten. De Perzische officier stelde echter voor dat ze samen zouden zitten en onderhandelen over hun conflict. Hij beweerde dat het probleem niet kon worden opgelost door oorlog en dat ze dus beter zouden werken aan een goede politieke oplossing. Daarmee ging de Arabier akkoord. Twee uur later kwam de Perzische bevelhebber terug bij het Moslimleger aan en ondertekende er een verdrag dat uniek was in de hele geschiedenis van de wereld. Wanneer werd dat verdrag ondertekend? Niet meer dan negentien jaar na de hijrah, een jaar of acht na de dood van de Profeet. Hoe fascinerend! Het grote Oosterse Rijk gaf zich over aan een bende arme Arabieren die kort daarvoor nog onbekend en zonder betekenis waren geweest.

Eén kant van het verdrag sprak over dit Oosterse Rijk, terwijl de andere kant juist over die arme mensen die ook in het Surah al-Rum besproken worden. Ironisch genoeg hadden die arme schooiers, wanneer ze over het Oosten of het Westen hoorden spreken, uit onwetendheid steeds gelachen. Het is nodig om een paar artikels uit dit verdrag te bespreken. De Arabieren eisten dat zij, wanneer ze een Perzisch dorp wilden aanvallen, steun zouden krijgen van het Perzische leger, ze hadden zelf namelijk te weinig manschappen en te weinig wapens. Het Perzische leger ging daar beleefd mee akkoord. De Arabieren eisten ook dat de Perziërs paarden zouden leveren aan het Moslimleger wanneer dat nodig was. Ook hier ging de bevelhebber van de Perziërs mee akkoord. Het werd zelfs nog grappiger. De Moslims eisten dat ieder Perzische officier die te paard passeert aan een detachement van het Moslimleger, zou afstappen en zijn paard zou afstaan aan de Moslims. De Perzische bevelhebber ging akkoord met alle eisen en ondertekende het verdrag met de Moslims.

Ook met het Westerse Rijk kwamen de Moslims tot een gelijkaardig verdrag. Terwijl de Moslims optrokken tegen het Perzische Rijk, waren er ook een paar duizend anderen die onder de leiding van ‘Amr ibn ‘As het Byzantijnse grondgebied binnentrokken. Ze vielen het fort van Babylon aan, het grootste militaire bolwerk ter wereld dat in handen was van het Byzantijnse Rijk. Het is niet helemaal duidelijk hoe zo’n sterk en goed verdedigd fort veroverd kon worden door een bende arme en hongerige Moslims, maar ze drongen snel als een kogel binnen tot in het hart van het bolwerk. Nadat ze Babylon verloren hadden, liet het Romeinse leger alle hoop varen om nog weerstand te bieden aan het Moslimleger. Een miljoen goed getrainde soldaten met de meest moderne wapens waren niet in staat om het gedisciplineerde Moslimleger te weerstaan. Het Oosten en het Westen werden veroverd door de Moslims. De Perziërs werden verslagen tijdens de slag bij Dhat al-Salasil, de koning Yazdegerd had het bevel gegeven om zijn goed getrainde soldaten met zware kettingen in bedwang te houden, zodat ze niet massaal konden deserteren. Hoe zouden soldaten onder die voorwaarden kunnen vechten? Ze wisten niet eens waarom ze vochten of tegen wie. Was de vijand de persoon die hun benen met ketens had vastgebonden of de persoon die tegenover hen stond op het slagveld? Geen enkele soldaat raakte nog wijs uit die oorlog. Daardoor sloten zowel de Perzische als de Byzantijnse soldaten zich telkens bij de Moslims aan, van zodra ze met hen geconfronteerd werden.

A L M

de Romeinen zijn verslagen
in een land dicht bij

maar na hun nederlaag
zullen zij zeker zegevieren
binnen een paar jaar

God heeft de leiding
van tevoren en nadien

en op die dag
zullen zij die vertrouwen
zich verheugen

( 30 : 1-4 )

Het is onvermijdelijk dat de grootmachten mekaar steeds zullen bestrijden. Als gevolg daarvan zullen factoren als corruptie, prostitutie, depressie en verlies van productiviteit hun administratieve systemen, sociale netwerken en hun strijdbare geest uithollen en vernietigen. Ze zullen er zo zwak van worden dat zelfs een kleine aanval door arme en hongerige Moslimsoldaten hen zal vernietigen. De arm gemaakte en ellendige mensen die op God vertrouwen, zullen vrij zijn. Zij zullen zich op die dag verheugen wanneer ze, met Gods hulp, zullen overwinnen. Allah schenkt de overwinning aan wie Zijn hulp verdient en aan wie die overwinning verdienen.

Hij helpt wie Hij wil
en Hij is de Almachtige, de Barmhartige

( 30 : 5 )

Allah zal de groep zwakke mensen steunen die strijden voor Zijn zaak. En deze sterke uitspraak uit de ayah hierboven wordt ook meteen bevestigd door de feiten die we besproken hebben.

belofte van God
God breekt nooit Zijn belofte
maar de meeste mensen verstaan dat niet

( 30 : 6 )

Allah belooft dat iedere groep mensen die strijden voor hun rechten zullen overwinnen tegen de machtigen. Dit is een universele wet. Het is een belofte van Allah die geldig blijft voor alle tijden en alle plaatsen. Ze wordt nooit onwaar, maar de meerderheid van de mensen hebben dit niet door.

Die zogenaamde intellectuelen weten niet dat de belofte van Allah een ware natuurwet is. Wat weten ze dan?

ze verstaan alleen
het leven in deze wereldorde
en zij trekken ze zich niets aan
van wat hier na komt

( 30 : 7 )

Ze kennen alleen hun oppervlakkige beslommeringen over wie het beste burocratisch systeem heeft, waar de meest gesofesticeerde wapens zijn of wie de meeste rijkdom verzameld heeft. Daarenboven blijven de beslommeringen van die intellectuelen meestal beperkt tot heel kortzichtige en oppervlakkige opmerkingen. Ze trekken zich niets aan van de wereld die na hen komt.
Ze hebben er geen idee van hoe dit alles zal aflopen, want ze kunnen niet verder zien dan hetgeen voor de hand ligt. De Quran roept die politiek gefrustreerde intellectuelen op om betere manieren te ontdekken om over de wereld te denken, en om zo een optimistischer kijk te ontwikkelen. De Quran vertelt hen dat ze niet al te veel belang moeten hechten aan hun theorieën, hun evaluaties en hun politieke analyses. Om tot een betere en diepere analyse te komen, roept de Quran iedere individu op om de mensheid en het hele wereldsysteem als één geheel te zien. Om die wereld te begrijpen, moeten we ons niet blindstaren op het nieuws van de dag, zoals de meeste intellectuelen, maar moeten we als mensheid proberen om de Bron van alle processen in deze wereld te ontdekken: de wil van Allah.

Denken ze dan niet voor zichzelf?

God schiep de hemel en de aarde en al wat daar tussen is
alleen voor de waarheid
voor een vastgestelde tijd.

toch zijn er velen onder de mensen
die de ontmoeting met hun Heer verwerpen.

( 30 : 8 )

In het eerste deel van ayah 8 hierboven, moeten we de nadruk leggen op de volgende zinnen: “alleen voor de waarheid”, wat betekent dat het denken zich op de feiten moet baseren en “ voor een vastgestelde tijd”.

Het is duidelijk dat Allah de aarde en de hemel, de mensheid, de verschillende volkeren en klassen, maatschappijen, systemen en machten voor een bepaald doel heeft geschapen. Met andere woorden, ieder schepsel dat Allah maakte heeft een bepaalde rol te spelen in dit leven. Wanneer we nadenken over de universele wetten van de schepping, de macht in de maatschappijen en het bestaan in het algemeen, dan moeten we vaststellen dat de schepping van het heelal op verschillende wetten gebaseerd is. Daardoor zijn ook het lot en de toekomst van de mensheid aan diezelfde wetten onderhevig.

De bewering dat een onderdrukker altijd aan de macht zal blijven, dat het lot van de mensheid altijd in de handen van de Caesars en de Khusrows moet blijven, is een leugen. Zij hebben tijdelijk de macht en die macht wordt beperkt door het nieuws van de dag. Ze bestaan vandaag, en morgen zijn ze weg. Wie begrijpt wat er bedoeld wordt met “voor een vastgestelde tijd”, heeft door dat de heersende machten maar voor een korte periode zullen overleven. Laat hen zichzelf maar uitroepen tot de eeuwige machthebbers en eigenaars van deze wereld. Ze begrijpen de loop van de geschiedenis niet. Ze zien niet in dat iedere macht uiteindelijk zal wegkwijnen en totaal verdwijnen op den duur.

Wat de wereld van vandaag betreft: de Westerse en Oosterse grootmachten hebben de wereld tussen henzelf verdeeld, maar die situatie zal niet lang blijven duren. Ze zijn veroordeeld tot verval en vernietiging. De Moslims zouden dus zeker moeten zijn van hun zaak, vol hoop op de overwinning in de toekomst.

Deze ayah vertelt over deze afloop van zaken:

toch zijn er velen onder de mensen
die de ontmoeting met hun Heer verwerpen.

( 30 : 8 )

De historische werkelijkheid

Na deze filosofische discussie, herinnert de Quran de mensheid aan de historische werkelijkheid. De wereld is niet beperkt tot het Arabische Schiereiland of de Oosterse en de Westerse wereldrijken. Mensen zouden de geschiedenis moeten bestuderen om verder te kunnen kijken dan de historische en geografische beperkingen van de zevende eeuw.

reisden zij dan niet rond door het land
om te leren van het lot van hun voorgangers?

( 30 : 9 )

Wat een verrassing! De Quran vraagt aan de half-verlichte zielen en de zogenaamde inellectuelen waarom ze niet rondreizen over de Aarde. Zijn ze dan niet bekend met het lot van hun voorgangers? Begrijpen ze dan niets over de zin van de geschiedenis en het lot van alle levende wezens?

Wat is er juist gebeurd met die grootmachten? De zogenaamde intellectuelen zouden zich toch moeten herinneren wat er gebeurd is met de vroegere grootmachten, en dat vergelijken met de historische omstandigheden en de lotgevallen van de heersende machten. Ze moeten zich niet beperken tot Mekka, Meddina of Constantinopel, ze zouden het hele plaatje moeten zien en zelf hun conclusie trekken.

die waren sterker en machtiger dan hen

( 30 : 9 )

Die grootmachten waren veel sterker geweest dan het Perzische of het Byzantijnse Rijk. Toch zijn ze verdwenen. Wanneer we kritisch de geschiedenis en de archeologie bestuderen, om te leren hoe deze grootmachten met hun colonies omgingen, dan merken we dat deze wereldrijken uit het verre verleden zelfs veel sterker waren dan de hedendaagse grootmachten.

die waren sterker en machtiger dan hen
en ze maakten het land vruchtbaar
en bewerkten het beter dan zij het bewerken.

( 30 : 9 )

Meer nog dan de hedendaagse grootmachten, probeerden de wereldrijken uit het verleden om de hele wereld te domineren en om waar ook ter wereld de bevolking te coloniseren. Door hun enorme macht, waren zij in staat om enorm uitgestrekte gebieden uit te buiten.

hun boodschappers kwamen met duidelijk bewijs

( 30 : 9 )

We lezen echter in dit vers dat deze wereldrijken bayyinat (duidelijk bewijs) hadden gekregen. Deze zin bevat zo veel inzicht. Ze toont de manier om het onderscheid te maken tussen goed en kwaad en om mensen bewust te maken van de maatschappij en de tijd waarin ze leven.

In een tijd waarin de meeste mensen in duisternis leefden en geen zin of richting vonden, doelloze volgelingen van de geruchten en de propaganda van de onderdrukkers, werden duidelijke bewijzen geopenbaard. Terwijl de onderdrukkers bezig waren met hun egoïstische en valse geloof in hun individuële macht en autoriteit, gaf de boodschap van de profeten het startschot van de verlichting. Midden in een wereld van duisternis, verwarring, kortzichtigheid, onderwerping en onderdrukking van de massa’s, terwijl de grootmachten helemaal opgingen in hun eigen illusies, verschenen de boodschappers met duidelijke aanwijzingen voor de mensheid.

en het was niet God die hen onrecht aandeed
maar zij zelf – hun ego – deed hen onrecht aan

( 30 : 9 )

Ondanks de leiding die Allah wilde schenken, bleven de mensen argeloos. Dit was natuurlijk niet de schuld van Allah, maar van de mensen zelf. Hij liet hen niet alleen aan hun lot over. Hij stuurde Zijn duidelijke leiding doorheen Zijn boodschappers. Hij openbaarde hen leefregels. Hij bood de massa’s hoop, licht en bewustzijn aan.

Allah richtte zich tegelijk tegen de onderdrukker en de onderdrukte. Hij waarschuwde de onderdrukker dat hun macht zou verdwijnen. Voor de onderdrukte massa’s bracht Hij het goede nieuws dat hun zwakheid slechts tijdelijk zou zijn en dat ze weldra de macht zouden verwerven. Verder vertelde hij dat mensen, die onderdrukt bleven, dat aan zichzelf te danken hadden. Wie onderdrukking verdraagt, helpt daarmee de onderdrukker.

en het was niet God die hen onrecht aandeed
maar zij zelf – hun ego – deed hen onrecht aan

dat was het slechte lot van zij die kwaad deden
omdat ze Gods tekens verloochenden en bespotten.

( 30 : 9-10 )

Het volgende vers uit de Quran is net zo echt en net zo eeuwig als de natuurfenomenen zelf. Het stelt duidelijk dat Allah aan groep arm gemaakte en onderdrukte mensen die zich bewust worden van hun situatie, die de juiste weg herkennen en beslissen om zichzelf te bevrijden, garandeert dat ze in hun opzet zullen slagen.

Hij helpt wie Hij wil
en Hij is de Almachtige, de Barmhartige

( 30 : 5 )

Allah helpt hen. Wie er ook aan de kant van Allah strijdt, zal overwinnen over om het even welke macht. Deze woorden van Allah zullen zeker waarheid worden.

De Quran gaat verder:

God begint het scheppen…

( 30 : 11 )

Allah wil de positie van de arme en ellendige gijzelaars in de Derde wereld verhogen, zoals bijvoorbeeld die van de arme bewoners van Mekka, zowel vroeger als vandaag. Hij wil hun gevoel van minderwaardigheid wegnemen, zodat ze zich niet langer hulpeloos, zwak, depressief en vernederd blijven voelen wanneer ze zichzelf vergelijken met de grootmachten, hoe technologisch en militair geavanceerd die ook mogen zijn. Allah zal die grootmachten vernederen en vernietigen. Allah is de enige Macht waar rekening mee gehouden moet worden, de enige Macht waarop we kunnen vertrouwen. De hedendaagse oppervlakkige machten, moeten verworpen worden.

God begint het scheppen
en doet dat daarna nog een keer
en daarna keren jullie naar Hem terug

( 30 : 11 )

Doorheen de Quran wordt het lot van de mensheid, dat hoop en moed zou moeten geven aan de onderdrukten van alle tijden en alle maatschappijen, keer op keer herhaald.

sta dus op
en richt je naar de rechtvaardige levenswijze

( 30 : 30 )

Mensen moeten zich niet in de war laten brengen door al die verschillende leiders, partijen en machten die bestaan. Ze zouden geen machthebbers moeten aanbidden als goden en vele jaren lang hun vertrouwen en hun hoop in hen investeren. Wanneer die persoon verdwijnt, dan zullen ze al hun hoop en hen vertrouwen in rook zien opgaan. Als ze hun harten met echte liefde en niet met zelfzucht hadden gevuld en hun vertrouwen gebouwd op hun religie en niet op hun eigen ego, dan zouden ze helden geweest zijn. Maar nee, ze kozen ervoor om de machthebbers te aanbidden, wiens god al eeuwen lang dood was. Ze sloten een bondgenootschap met Satan. Sta dus op en richt je naar de juiste levenswijze. Sta op, stijg boven jezelf uit, en maak korte metten met die valse hoop en die vruchteloze verlangens die ontstaan wanneer je je vertrouwen richt op het Oosten of het Westen.

Ga op weg naar die religie die de bron kent van het echte vertrouwen. Welk vertrouwen bedoelen we? Welk geloof? Dat geloof dat de mensheid kan redden van alle valse religies en dat hen naar de waarheid leidt. Keer terug naar dat geloof, naar dat vertrouwen. Maar welke religie is dat dan?

volgens je natuurlijke aanleg
zoals God die schiep in de mensen

( 30 : 30 )

In de plaats van gijzelaar of marionet te blijven van de grootmachten, moeten de mensen terugkeren naar hun menselijke natuur. Ze moeten zichzelf zijn, zichzelf respecteren en alle verborgen krachten ontdekken die in hen sluimeren. Allah bestaat in de mensen, dus vertrouw op Hem aangezien Hij de Ware Bron is van hoop en geluk.

En welke natuur is dat dan? De natuur die Allah geschapen heeft in de mensen. Het is op deze natuur dat Allah de hele mensheid heeft gebaseerd, het is de natuur van de mens en niet de vervormde natuur van zij die vertrouwen op de Oosterse of Westerse grootmachten en die de ene heerser tegen de andere steunen. Het is de natuur die de hele mensheid ziet als Allahs vertegenwoordiger op de aarde. Het is een natuur die de mensheid de macht heeft over hun wereld en die hen vrij maakt van iedere vorm van gevangenschap.

sta dus op
en richt je naar de rechtvaardige levenswijze

volgens je natuurlijke aanleg
zoals God die schiep in de mensen

verander God’s schepping niet

dat is de oprechte levenswijze

( 30 : 30 )

Verander de wetten van God’s schepping niet. Alle fenomenen in deze wereld, alles wat Allah geschapen heeft, houdt zich aan de regels en wetten van deze schepping. De mensheid moet op die wetten en regels verder bouwen, niemand kan er ook maar één wet aan veranderen. Zelfs de grootmachten die bewerend dat ze in staat zijn om de koers van de hele wereld te bepalen en om de geschiedenis naar hun hand te zetten, zijn helemaal machteloos wanneer we hen vergelijken met de Macht van Allah. Op dat inzicht, op deze eeuwige ideologie, mag men steeds vertrouwen.

Hiervoor gebruikt de Quran vaak het beeld van regen die valt.

en nog een teken van Hem
Hij toont je de bliksem – angst en hoop

en Hij laat uit de hemel water neerdalen
zo doet Hij het land na de dood weer herleven

dat is zeker een teken
voor een volk dat begrijpen wil

( 30 : 24 )

We hebben helaas niet voldoende tijd om hier heel diep op in te gaan, een korte uitleg moet hier volstaan. Het teken van de regen die uit de wolken valt is symbolisch. Het kan zowel letterlijk verwijzen naar echte regen uit de lucht als figuurlijk naar het neerdalen van bewustzijn en liefde, met het ware geloof dat neerdaalt in het hart van een dood volk om hen opnieuw te doen opstaan, precies zoals de lenteregen nieuw leven schenkt aan de dode bomen.

Hij is het die jullie schept en jullie dan onderhoudt
en jullie dan doet sterven en jullie dan doet leven

( 30 : 40 )

Hij doet sterven en Hij doet leven. Hij brengt de doden voort uit de levenden en Hij brengt de levenden voort uit de doden. Hij laat het dode land weer opbloeien.

corruptie is overal doorgedrongen
op het land en op de zee
het verdiende loon voor wat mensenhanden aanrichtten

zo proeven ze een deel van de gevolgen van hun daden
opdat ze zich zouden bekeren

( 30 : 41 )

Corruptie steekt overal de kop op. Hoe komt dat? Het zijn mensenhanden die dit veroorzaken en nu moeten die mensen de bittere vruchten van hun daden proegen: armoede en vernedering. Misschien zullen de mensen wel weer opstaan uit hun slaap en zullen ze hun manier van leven veranderen.

Hij is het die jullie schept en jullie dan onderhoudt
en jullie dan doet sterven en jullie dan doet leven

( 30 : 40 )

Daarna worden de mensen opnieuw uitgenodigd om na te denken over de geschiedenis:

zeg: “reis rond door het land
en onderzoek wat er gebeurde (met) jullie voorhangers
de meesten van hen dienden afgoden”

( 30 : 42 )

Het is duidelijk waarom zij ongeluk hadden. Hun lichamen werden begraven onder de vernielde paleizen van de macht en de schatten van de rijkdom. Hun macht is vervlogen met de wind.

Nadat deze uitnodiging van de Quran om de geschiedenis te onderzoeken, wordt opnieuw herhaald:

richt dus je blik op de rechtopstaande levenswijze

( 30 : 43 )

en

Hij is het die de wind zendt

( 30 : 48 )

Dezelfde Bron die de natuur beheerst, beheerst ook de menselijke samenlevingen. Dezelfde principes die invloed hebben op de aarde, de landbouw, de dieren en de planten, zullen op dezelfde manieren de geest en het lot van samenlevingen, klassen, groepen intellectuelen, toegewijde personen en hele volkeren beïnvloeden. Allah heeft de mensen het vermogen geschonken om over de natuur na te denken en om er conclusies uit te trekken. De geschiedenis bestuderen is niet genoeg, we moeten de hele natuur onderzoeken.

Hij is het die de wind zendt
om de wolken te stapelen
en deze dan verspreidt over de hemel
zoals Hij het wil

( 30 : 48 )

Allah stuurt de wind, de vlagen van wijsheid en bewustzijn, naar een generatie van mensen, om de wolken bijeen te brengen. Hij stapelt de wolken vol emotie, liefde, bewustzijn en overtuiging op en verspreidt deze dan over de hemel. Deze kleine deeltjes worden naar de hemel opgetild, komen samen en vormen samen een zware massa van de ene horizon tot de andere.

en dan breekt Hij ze in stukken
zodat jullie regen zien ontstaan uit hun midden

( 30 : 48 )

En dan begint het te regenen. De regendruppels vallen vanuit het hart van die wolken.

en dan doet Hij die neerdalen
op wie Hij wil van Zijn dienaren

( 30 : 48 )

Wanneer het hart van mensen klaar is om de regen te aanvaarden, dan zullen ze heropleven en groeien.

zie hoe verheugd die dan zijn

( 30 : 48 )

Dat zijn de mensen die het goede nieuws vernemen en die hoopvol worden. De koude en kille dagen van hun leven zullen warm en vruchtbaar worden.

kijk dus naar het effect van Gods Barmhartigheid
hoe Hij het land laat leven nadat het dood was
hij zal zeker leven geven aan de doden
en Hij heeft alle dingen in Zijn macht

( 30 : 50 )

De mensen moeten de tekens zoeken van de barmhartigheid van Allah in de schepping. Zelfs wanneer ze gefolterd worden, moeten ze hoopvol naar de toekomst blijven kijken. Allah kan alles doen wat Hij wenst. Hij kan zeker een dood land weer tot leven wekken wanneer hij regenvlagen van bewustzijn, liefde en vertrouwen neerzendt.

Maar langs de andere kant wil de Quran de dingen ook niet op een idealistische manier voorstellen. De Quran wil geen utopie voorschilderen of zwevende slgans verkopen om de mensen tevreden te stellen. De feiten onder ogen zien, de problemen analyseren, een realistische kijk hebben op de dingen… dat is allemaal heel belangrijk voor de Quran. Dat mag allemaal niet verwaarloosd worden. De Quran waarschuwt bijvoorbeeld:

dus jij kunt inderdaad de doden niet laten horen
en de doven niet laten horen naar de oproep
wanneer zij zich ervan afkeren

( 30 : 52 )

De profeet en alle andere bevrijders die de arme en onderdrukte mensen wilden motiveren wanneer ze verdederd werden door de twee grootmachten, slaagden daar op sommige plaatsen in. Ze moedigden mensen aan, hielpen hen om hun waardigheid terug te vinden, bevrijdden hen van de Oosterse of de Westerse slavernij. Ze verlichtten de mensen door hen op hun plicht te wijzen om hun eigen lot en hun eigen toekomst in handen te nemen en om uiteindelijk zelf over de wereld te regeren. Maar ook een profeet kan de doden niet dwingen om naar hem te luisteren. De doden, dat zijn die mensen die als lijken of als standbeelden leven, mensen die iedere zin en alle energie missen. Zelfs als je die mensen ontelbare bewijzen zou tonen, dan zouden ze je nog niet geloven en zouden ze hun eigen impulsen blijven volgen. Hun eigen jaloersheid, zelfzuchtigheid en kortzichtigheid hebben hen gedood. Mensen die naar niemand meer omzien, kunnen niet gedwongen worden om te luisteren. Het is voor hen onmogelijk om om het even welke boodschap te horen.

Hoe fascinerend is dit! Spreekt de Quran hier over de mensen van de zevende eeuw, of gaat het over de mensheid vandaag? Let goed op die wijsheid van de Quran. Men kan de doden niet doen luisteren. Men kan de doven, de mensen die naar niemand luisteren, de boodschap niet laten horen. En zelfs als ze die zouden horen, dan zouden ze die niet kunnen begrijpen. Wat ze ook lezen of luisteren, hoe zeer ze ook nadenken en hoe objectief ze ook blijven, die mensen kunnen nooit de boodschap horen doordat ze de zin en het bewustzijn missen. De boodschap kan nooit begrepen worden tenzij iemand klaar is om te luisteren en om te horen wat gezegd wordt. Men kan de dode mensen niet laten luisteren. Zo’n duidelijk boodschap, zo’n helder feit. Wie had gedacht dat die woorden veertien eeuwen oud waren? Was dit bedoeld voor een handvol Arabische stammen in de Mekkaanse woestijn, of is het voor de beschaafde volkeren van de twintigste eeuw bedoeld? Kan om het even welke bewuste mens van vandaag ook maar iets zeggen dat meer waarheid bevat dat dit?

dus jij kunt inderdaad de doden niet laten horen
en de doven niet laten horen naar de oproep
wanneer zij zich ervan afkeren

en jij kunt de blinden niet wegleiden uit de dwaling

jij kunt niemand laten horen

behalve zij die vertrouwen op de tekens van God
zodat ze zich overgeven

( 30 : 52-53 )

De blinden zullen in elk geval niet zien. Alleen wie kan zien, merkt hoe verdwaald hij is en probeert hard om aan de duisternis te onstnappen en om een goede gids te vinden. Wie blind is en niet eens wil luisteren, kan nooit de weg vinden en gered en geholpen worden. Alleen wie vertrouwen op de tekens van Allah en deze tekens respecteren, alleen die Moslims die meegaan met de wil van Allah omdat ze het instinct hebben dat hen doet inzien hoe feiten en logica hen naar de waarheid kan leiden, kunnen gered worden.

God
Hij is het die jullie zwak en machteloos schiep
daarna deed Hij uit machteloosheid kracht ontstaan.
(…)
en dan zullen ze spreken, zij die inzicht kregen en vertrouwen
waarlijk jullie bleven bij Gods boek tot aan de Dag van de Opstand.
wel, dit is de Dag van de Opstand, maar jullie wisten het niet

( 30 : 54, 56 )

Mensen moeten niet wanhopen, ook al heeft Allah hen uit zwakheid geschapen.

Mensen met kennis, liefde en vertrouwen, raden ons aan om de laatste paar ayaat van Surah al-Rum nauwkeuriger te bestuderen om de conclusie die erin wordt uitgedrukt, beter te begrijpen.

Wij tonen de mensheid in deze Qur’an allerlei soorten voorbeelden
maar wanneer je hen een teken toont,
dan zullen de verwerpers zeggen
dat jullie niets anders dan vervalsers zijn

( 30 : 58 )

Doorheen de Quran zendt Allah naar de mensen alle nodige tekens, voorbeelden en bewijzen om inzicht te krijgen in iedere situatie en ieder proces. De Quran schijnt licht op het menselijk gedrag en schetst onze verantwoordelijkheden. De Quran legt uit hoe de basis van het bestaan geschapen werd rond vertrouwen en hoop.

Er worden zo veel voorbeelden gegeven van hoe men tot inzicht kan komen. We worden uitgenodigd om de natuurfenomenen te onderzoeken en om na te denken over het lot en de vernietiging van de grootmachten uit de geschiedenis, die dachten dat ze voor eeuwig machtig zouden blijven en over de overwinning van de arme, onderdrukte massa’s, die er zo van overtuigd waren dat ze voor eeuwig onderdrukt zouden worden, dat ze niet meer durfden hopen op vrijheid. Al deze tekens worden aan de mensen voorgelegd.

Oprechte en bewuste personen die begrijpen wat er om hen heen gebeurt, zijn niet onder de indruk van de glitter van de grootmachen. Ze laten zich ook niet vangen door de valse en waardeloze slogans die vol lof spreken over menselijkheid en mensenrechten, maar die in wezen de mensheid vernietigen door mensen wijs te maken dat ze zo zwak en machteloos zijn dat hun belangen door anderen behartigd moeten worden, door anderen die zogenaamd beter zijn dan hen.

Zij die zich van dit alles bewust zijn, zijn in staat om terug te keren naar de juiste religie. Zij kunnen van de leugen naar de waarheid gaan, naar de Ware Bron van alle machten, naar de Ware Autoriteit in de wereld, naar het nadenken over de schepping, het doel van de tijd, de samenleving, materie, natuur, natuurwetten en de bloeiende bloemen in de lente, de vallende blanderen in de herfst. Zij blijven niet hangen bij de gebeurtenissen van één of twee eeuwen om hun analyse en hun vertrouwen op te bouwen. Ze blijven nuchter en analytisch en onderzoeken de hele geschiedenis. Ze beperken zich niet tot hun eigen kleine omgeving, maar onderzoeken de hele wereld. Ze kijken kritisch naar iedere plaats en ieder tijdperk. Zij doorzien het lot van de grootmachten uit het verleden, die nog onderdrukkender en nog colonialer waren dan de grootmachte van vandaag.

Ze zien in dat die allemaal verdwenen zijn, dat ze alleen ruïnes achter zich lieten zodat de mensen er lessen uit zouden kunnen trekken. Ze zien ook hoe een kleine groep arm gemaakte mensen konden winnen tegen die grootmachten. Dit is hoe ze zichzelf ontdekken en tegelijk hoe ze de Almachtige Kracht, de Kracht van God ontdekken. Ze vinden hoop en vertrouwen in zichzelf en zien in dat het Oosten niets meer is dan een wilde wolf en het Westen niets meer dan een dolle hond. Ze begrijpen dat het Oosten en het Westen zodanig in de ban zijn van hun verlangen naar meer colonies, hun agressie en hun egoïsme, hun fascistische optreden en hun georganiseerde uitbuiting, dat ze onvermijdelijk ook corruptie, nihilisme, doelloosheid en waardeloosheid zullen doen ontstaan. Uiteindelijk zullen deze grootmachten overwonnen worden door een groep arme en onderdrukte mensen, die uit een woest en verlaten deel van de aarde komen en die eerst geen woord durfden zeggen wanneer ze door Abu Jahl of Umayyat Ibn Khalaf gefolterd werden.

Deze generatie Moslims kan de wereld regeren, als ze Allah leren kennen en als ze de wereld leren begrijpen. Dan zullen ze de enorme waarde begrijpen die Allah aan hen toekent. Met een sterke en vastbreaden geest, kunnen ze alle machten van deze wereld bedwingen en nog tijdens deze generatie de leiders van de wereld worden. Maar hoe is dat mogelijk in deze wereldorde van lijden, ontbering, armoeden, wanhoop, onvermogen, pessimisme, onbegrip en slecht onderwijs?

De Quran drukt de mensen op het hart:

heb dus geduld
zeker de belofte van God is waarheid
en laat je niet in de war brengen door de onzekeren

( 30 : 58 )

De Moslims die vertrouwen op Allah, moeten geduld hebben en verzet organiseren tegen deze wereldorde. De belofte van Allah is waarheid. De gelovigen mogen niet toelaten dat de niet-gelovigen hun gedachten zouden beïnvloeden of hen laten veranderen van positie.

Soerah 30  – De Romeinen

In naam van God de Barhmartige de Erbarmer

    1. A L M
    2. Verslagen zijn de Romeinen
    3. In een land dicht bij. Maar zij zullen na hun nederlaag zeker zegevieren.
    4. Binnen een paar jaar. God heeft de leiding van tevoren en nadien. En op die dag zullen zij die vertrouwen zich verheugen.
    5. over Gods hulp. Hij helpt wie Hij wil. En Hij is de Almachtige, de Barmhartige.
    6. Belofte van God. God breekt nooit Zijn belofte, maar de meeste mensen verstaan dat niet.
    7. Zij verstaan alleen het leven in deze wereldorde. En zij trekken ze zich niets aan van wat hier na komt.
    8. Denken ze dan niet voor zichzelf? God schiep de hemel en de aarde en al wat daar tussen is alleen voor de waarheid voor een vastgestelde tijd. Toch zijn er onder de mensen velen die de ontmoeting met hun Heer verwerpen.
    9. Reisden zij dan niet rond op de wereld om te leren van het lot van hun voorgangers? Die waren sterker dan hen en machtiger en ze maakten het land vruchtbaar en bewerkten het beter dan zij het bewerken. Hun boodschappers kwamen met duidelijk bewijs. En het was niet God die hen onrecht aandeed maar zij zelf, hun ego, deed hen onrecht aan.
    10. Dat was het slechte lot van zij die kwaad deden omdat ze Gods tekens verloochenden en ze bespotten.
    11. God begint het scheppen en doet dat daarna nog een keer. En daarna keren jullie naar Hem terug.
    12. En die dag zal komen, dat moment. Dan zullen de boosdoeners wanhopen.
    13. En voor hen zal geen van hun afgoden kunnen bemiddelen. En ze zullen hun afgoden verwerpen.
    14. En die dag zal komen, dat moment. Op die dag zullen zij uitgesloten worden.
    15. Dan zullen zij die vertrouwen en die rechtvaardig handelen in een bloeiende tuin vreugde vinden.
    16. Maar zij die verwerpen en Onze tekens en de ontmoeting in de tijd die hierna komt ontkennen. (Zij zullen) naar hun straf worden gebracht.
    17. Dus verhef God als je de avond ingaat en als je de ochtend ingaat.
    18. En voor Hem is alle roem in de hemel en op aarde, ‘s nachts en als je de dag ingaat.
    19. Hij doet leven ontstaan uit wat dood is en doet dan de dood uit het leven ontstaan. En Hij geeft geeft leven aan het land nadat het dood was. En zo zal ook met jullie gebeuren.
    20. En nog een teken van Hem : Hij schiep jou uit stof. En daarna, zie, jullie zijn mensen / goed nieuws dat zich verspreidt.
    21. En nog een teken van Hem : Hij schiep voor jullie uit jullie zelf geliefden. Zo kunnen jullie rust vinden. En Hij deed tussen jullie beiden tederheid en barmhartigheid groeien. Daarin is zeker een teken voor een volk dat nadenkt.
    22. En nog een teken van Hem : De schepping van hemel en aarde en de diversiteit jullie talen en jullie kleuren. Dat is zeker een teken voor wie begrijpen.
    23. En nog een teken van Hem : Jullie slapen in de nacht en overdag gaan jullie op zoektocht naar Zijn overvloed. Dat is zeker een teken voor een volk dat luisteren wil.
    24. En nog een teken van Hem : Hij toont je de bliksem, angst en hoop, en Hij laat uit de hemel water neerdalen. Zo doet hij het land herleven na de dood. Dat is zeker een teken voor een volk dat begrijpen wil.
    25. En nog een teken van Hem : Het voortbestaan van hemel en aarde door Zijn leiding. Dan zal Hij je met een lokroep wegroepen van de aarde. En zie dan zul je gaan.
    26. En van Hem is iedereen in de hemel en op aarde iedereen gehoorzaamt Hem.
    27. Hij is het die het scheppen begint en dat dan nog een keer doet. En voor Hem is dat gemakkelijk. En Hij is het meest verheven Voorbeeld in de hemel en op aarde. En Hij is de Machtige, de Wijze.
    28. Hij toont jullie een voorbeeld uit jullie eigen omgeving : Er zijn er bij de leiders van jullie hand die een deel krijgen uit hetgeen Wij jullie schenken opdat jullie gelijk zouden kunnen worden. Zijn jullie over hen zo bezorgd als jullie bezorgd zijn over jezelf? Zo geven wij uitleg (over) de tekenen aan een volk met verstand.
    29. Maar nee de onderdrukkers volgen hun lusten zonder enige kennis. Wie is een gids voor wie God liet verdwalen en wie zal voor hen bij de helpers zijn?
    30. Sta dus op en richt je naar de rechtvaardige levenswijze volgens je natuurlijke aanleg zoals God die schiep in de mensen. Verander God’s schepping niet. Dat is de oprechte / opstandige levenswijze maar, de meeste mensen verstaan dat niet.
    31. Keer je naar Hem en vrees Hem en onderhoud het gebed en wees niet bij de concurrentenendienaars.
    32. Zoals zij die verdeeldheid brengen in de levenswijze die sekten vormen. Ieder groepje alleen voor zichzelf.
    33. En als tegenslag dan de mensen treft dan roepen ze tot hun Heer en keren ze zich naar Hem. En daarna, ziedaar, Hij toont hen Barmhartigheid. Ziedaar, dan zijn er sektes bij hen die voor hun Heer concurrenten (afgoden) verzonnen.
    34. Ze verwerpen ondankbaar wat Wij hen schonken maar ondertussen genieten ze er wel van. Binnenkort zullen ze wel beseffen.
    35. Of zonden we hen dan een autoriteit die hen vertelde over hun concurrenten voor Hem?
    36. En als Wijde mensen barmhartigheid laten proeven, dan verheugen ze zich daarin. Maar als onheil hen treft door de daden van hun handen, kijk ze dan eens wanhopen.
    37. Zien ze dan niet dat God de voorzieningen verruimt voor wie Hij wil, of ze juist minder maakt? Daarin zijn zeker tekens voor een volk dat vertrouwt.
    38. En geef je naaste waar die recht op heeft. En de arme en de migrant. Dat is het goede voor wie verlangend uitzien naar Gods Aangezicht. En zij zijn het die zullen slagen.
    39. En hoeveel je ook verdient met rente, met het doen groeien van menselijke rijkdom, die groeit niet volgens God. Maar wat je bijdraagt als zakaat, uit verlangen naar Gods Aangezicht, dat zal blijven toenemen.
    40. God. Hij is degene die jullie schept en jullie dan onderhoudt en jullie dan doet sterven en jullie dan doet leven. Is er bij die concurrenten iemand die dat allemaal kan doen? Geprezen en verheven is Hij, hoog boven al die concurrenten.
    41. Corruptie is overal doorgedrongen op het land en op de zee. Het loon voor wat mensenhanden aanrichtten. Zo proeven ze een deel van de gevolgen van hun daden opdat ze zich zouden bekeren.
    42. Zeg : reis rond over de aarde en onderzoek wat er gebeurde met jullie voorgangers. De meesten van hen dienden concurrenten.
    43. Richt dus je blik op de rechtopstaande / opstandige levenswijze voor de dag komt die niemand kan tegenhouden behalve God. Die dag zullen zij versplinterd worden.
    44. Wie verwerpt zal zelf verworpen worden. En wie het goede doen, dat is voor henzelf een goede voorbereiding.
    45. Hij beloont hen die vetrouwen en het goede doen uit Zijn overvloed. Hij houdt echt niet van de verwerpers.
    46. En nog een teken van Hem : Hij zendt de wind  als brenger van goed nieuws en om jullie te doen proeven van Zijn Barmhartigheid, en opdat de schepen juist varen door Zijn leiding, en opdat jullie zouden zoeken naar Zijn overvloed, en opdat jullie dankbaar zouden zijn.
    47. Echt waar : wij zonden vroeger reeds boodschappers naar hun volk. Ze kwamen tot hen met bewijzen. Toen rekenden Wij af met de misdadigers. En het is Onze plicht om hulp te bieden aan de vertrouwenden.
    48. God. Hij is het die de wind zendt om de wolken te stapelen en deze dan verspreidt over de hemel zoals Hij het wil. En dan breekt Hij ze in stukken zodat jullie regen zien ontstaan uit hun midden. En dan doet Hij die neerdalen op wie Hij wil van Zijn dienaren. Zie dan hoe verheugd die dan zijn.
    49. En er waren er voor Hij ze gestuurd had naar hen die toen wanhoopten.
    50. Kijk dus naar het effect van Gods Barmhartigheid, hoe Hij het land laat leven nadat het dood was. Hij zal zeker leven geven aan de doden. En Hij heeft alle dingen in Zijn macht.
    51. En als we wind zenden en ze zien alles geel worden dan blijven zij daarna verwerpen.
    52. Dus jij kunt inderdaad de doden niet laten horen en de doven niet laten horen naar de oproep wanneer zij zich ervan afkeren.
    53. En jij kunt de blinden niet wegleiden uit de dwaling. Je kunt niemand laten horen behalve zij die vertrouwen op de tekens van God zodat ze zich overgeven.
    54. God. Hij is het die jullie schiep zwak en machteloos. Daarna deed Hij uit machteloosheid kracht ontstaan. Daarna deed Hij uit kracht machteloosheid ontstaan en grijze ouderdom. Hij schept zoals Hij wil. En Hij is de Wetende, de Machtige.
    55. En die dag zal komen, dat moment. De misdadigers zullen zweren dat ze daar slechts een goed uur verbleven. Maar daarin vergissen ze zich.
    56. En dan zullen ze spreken, zij die inzicht en vertrouwen kregen. Waarlijk jullie bleven bij Gods boek tot aan de Dag van de opstand. Wel, dit is de Dag van de Opstand, maar jullie wisten het niet.
    57. Dus op die Dag zullen de onrechtvaardigen niets hebben aan hun uitvluchten en er zullen voor hen geen excuses meer baten.
    58. Waarlijk, Wij tonen de mensheid in deze Qur’an van alle soorten voorbeelden. Maar wanneer je hen een teken toont, dan zullen de verwerpers zeggen dat jullie niets anders dan vervalsers zijn.
    59. Daarom verzegelde God de harten van diegenen die niet weten.
    60. Heb dus geduld. Zeker de belofte van God is waarheid. En laat je niet in de war brengen door de onzekeren.

De bekering van een Aartsbisschop

Een conservatieve, gehoorzame aartsbisschop

De jonge Oscar Arnulfo Romero was een vrome en ijverige priester. Het zou een understatement zijn om hem “een tikkeltje conservatief” te noemen. Hij was een uiterst gehoorzaam lid van de katholieke kerk die, zonder er zich veel vragen bij te stellen, braaf deed wat zijn oversten van hem verlangden. Hij was bang van vernieuwing, bang van verandering, bang van alles wat zijn wereld door mekaar zou kunnen schudden.

Hij was uiterst bevreesd voor de bevrijdingstheologie, de nieuwe Latijns-Amerikaanse opstandige invulling van het Christendom die opriep om radicaal te kiezen voor de armen en tegen het machtsmisbruik van de heersende rijke klasse. Hij had het moeilijk met de radicale keuze die de Latijns-Amerikaanse bisschoppen hadden gemaakt in Medellín in 1968, een keuze om net als de God van Mozes oog te hebben voor het lijden van de slaven en oor te hebben voor hun zuchten en hun kreten, maar ook voor hun droom van een andere wereld. Al dat nieuwe gedoe rond bevrijding van alle vormen van slavernij maakte hem ongerust. Hij had liever dat de dingen bleven zoals ze altijd al geweest waren. Volgens de jonge priester Romero was het niet de taak van priesters, en nog veel minder van bisschoppen, om de confrontatie aan te gaan met de heersers en hun machtsstructuren. Het christendom moest juist een verzoenende rol spelen en de armen en de rijken in liefde met elkaar verbinden.

Precies omwille van die terughoudendheid en die afkeer van de bevrijdingstheologie werd Romero op 23 februari 1977 door het Vaticaan benoemd als aartsbisschop van San Salvador. De top van de katholieke kerk zag in deze conservatieve priester de ideale persoon om in El Salvador de opstandige basisgemeenschappen, de progressieve priesters, de rebelse boerenbewegingen, de beweging van christenen voor het socialisme… klein te krijgen. Ze dachten dat hij deze nieuwe bevrijdende geest wel tot bedaren zou kunnen brengen.

Alles begon ook zoals de kerkleiders in het Vaticaan hadden gepland. Romero droeg braaf missen op, riep rebelse priesters tot de orde, gaf af en toe eens een preek waarin hij al dat progressieve gedoe afbrak en zei dat die opstandige geest van bevrijding nergens goed voor was. Terwijl de doodseskaders van de heersende rijke klasse hun best deden om de lichamen van de revolutionairen te vermoorden, probeerde Romero vanuit zijn aartsbisschoppelijk paleis de revolutionaire geest uit te moorden. Zoals zovele miljoenen priesters en bisschoppen voor hem, was hij een dealer van spirituele opium geworden die een versie van de godsdienst aan de man bracht die geen ander doel had dan de geesten te verdoven. Daar waar zijn opium niet sterk genoeg bleef te zijn, deden de kogels van de paramilitairen de rest van het werk.

Op 28 februari 1977 komt de bevolking van San Salvador in opstand tegen de massale fraude bij de verkiezingen. De heersers beslissen om het leger in te zetten tegen de bevolking en er vallen honderden doden en duizenden gewonden. Aartsbisschop Romero zwijgt hier echter over. Hij gelooft nog steeds dat het niet de taak is van de Kerk om zich met politiek te bemoeien.

Het bloed van de martelaars

En dan opeens werd alles anders. Op 12 maart 1977 troffen de kogels van de doodseskaders een vriend van hem, de radicaal progressieve priester Rutillo Grande. De moord werd niet onderzocht en er werd zelfs overal hardop gezegd dat Rutillo Grande het zelf had gezocht. Hij had zich maar niet met de armen en hun strijd tegen de rijke heersers moeten inlaten. Hij had zich maar braaf moeten beperken tot bidden, missen opdragen en af en toe wat hulpgoederen verdelen onder de armen.

Voor het eerst voelde Romero de verontwaardiging tot diep in zijn ziel. Waarom werd deze moord op één van zijn vrienden niet onderzocht? Waarom kwam er geen proces? Waarom werden priesters die opkwamen voor de armen, botweg veroord door doodseskaders?

Romero eiste van de regering dat ze een onderzoek zouden instellen naar de moord en hij besloot om vanaf dat moment, tot op het moment dat de moord grondig was onderzocht, alle officiële plechtigheden te boycotten. De aartsbisschop weigerde om nog langer als marionet op te draven bij de officiële feestjes en etentjes van de heersers van zijn land.

Maar met de vragen over de moord op zijn kameraad, kwamen er ook steeds meer lastige, knagende vragen over de toestand van zijn land. Hoe kwam het toch dat de armen zo arm waren en de rijken zo rijk? Waarom worden die rijken in hun rijkdom toch beschermd door de regering, het leger, de politie en de doodseskaders? Waarom worden rebelse priesters vermoord wanneer ze opkomen voor de rechten van de gemarginaliseerden?

Een aartsbisschop bekeerd tot een leven als christen

De aartsbisschop was op dat moment bijna 60 jaar. Hij was al jaren een beetje vastgeroest op spiritueel en religieus gebied. Hij had zijn eigen geloof en zijn eigen beleving van het christendom al jaren niet meer in vraag gesteld. Maar de moord op één van zijn vrienden, enkel en alleen omdat die de uitbuiting en de onderdrukking van de armen van El Salvador in vraag had gesteld, was voor Romero de aanleiding van een diepe bekeringservaring. Het bloed van de martelaren werd een zalf voor zijn ogen. Hij was niet langer blind voor het onrecht, de uitbuiting en de onderdrukking. Hij kon eindelijk helder en duidelijk de klassenverhoudingen zien die in zijn land in de laatste jaren al duizenden mensen hadden vermorzeld en vermoord.

Oscar Arnulfo Romero, katholiek aartsbisschop van San Salvador en tot voordien een conservatieve pion in het machtsspel van de katholieke kerk en de heersende klasse van zijn land, bekeerde zich. Hij veranderde niet van godsdienst, dat is niet het soort bekering waar de God van de bevrijding de mensen toe oproept. Hij vond eindelijk terug aanknoping bij de rebelse traditie van opstandelingen als Mozes, Elia, Johannes en Jezus. Hij bekeerde zich om eindelijk een echte katholieke bisschop te worden. Iemand die, geïnspireerd door het voorbeeld van Jezus en de profeten, opkwam voor de armsten onder de armen, voor de gemarginaliseerden, de onderdrukten en de uitgebuiten.

Het werd voor Romero steeds duidelijker dat ook hij niets anders kon dan een keuze maken. Wie niet bewust de kant kiest van de onderdrukten en de uitgebuiten, kiest de kant van de onderdrukkers en de uitbuiters. Zijn geweten riep hem luider en luider tot de orde. Uiteindelijk kon hij geen kant meer uit. “Als Rutillo is vermoord omdat hij opkwam voor het recht van de armen, dan is dat precies wat ik vanaf nu zal doen.”

De moord op zijn goede vriend was slechts het begin geweest van Romero’s bekering. Door zich steeds bewuster vragen te stellen bij de uitbuiting van de armen, was het op den duur voor hem onhoudbaar geworden om niet radicaal hun kant te kiezen. En hoe meer hij zijn leven en zijn religieuze beleving verbond met die armen, hoe radicaler zijn bekering werd. Hij begreep meer en meer wat de “voorkeursoptie voor de armen” in het christendom echt betekende. Hij deelde in hun frustraties en hun lijden. Hij deelde in hun hoop en in hun strijd. Hij riep hen op om op te staan tegen hun onderdrukkers.

Vanaf dan werd Aartsbisschop Romero als een profeet voor zijn arme landgenoten. Hij werd de stem van de stemlozen. In hun naam klaagde hij het structurele onrecht aan. Hij riep de armen op om zich te verenigen en zich te verzetten. Hij riep de rijken op om zich, net als hij zelf, te bekeren en de kant van de onderdrukten te kiezen. Samen met de uitgebuite boeren en arbeiders en met de armen in de sloppenwijken, droomde hij van een heel nieuw christendom, van een heel nieuwe wereld gebouwd op gerechtigheid, solidariteit, vrijheid en vrede.

Met zijn geopende ogen zag hij nu hoe de armen van zijn land dezelfde armen waren die door Jezus destijds waren opgeroepen om op te staan. Hij zag in de vermoorde lichamen van de martelaren van zijn tijd, het gekruisigde lichaam van Jezus terug. Hij hoorde met zijn geopende oren de jammerkreten van de slaven op dezelfde manier waarop de God van Mozes die had gehoord. Hij werd voor de armen als een profeet van de bevrijding, maar zei zelf dat het juist de armen waren die voor hem een profeet waren geworden. Zij waren het die hem de stem van God lieten horen. “Met mensen als hen is het niet moeilijk om een goede herder te zijn.”

Door zijn bekering kon Romero eindelijk dat zien wat God al altijd had gezien: de armen, de uitgebuiten en de onderdrukten, hebben de kracht in zich om zelf de hoofdrol te spelen in het heldhaftig verhaal van hun bevrijding. De armen zelf kunnen doorheen hun strijd de noodzakelijke structurele veranderingen teweeg brengen in het land. Zij, en niemand in hun plaats, kunnen Gods nieuwe wereld opbouwen.

De nieuwe mens Oscar Romero deed er ook alles aan om ook zijn kerk te hervormen. De piramidale top-down structuur van de kerk moest verdwijnen. De kerk moest opnieuw, zoals in de tijd van Jezus en zijn leerlingen, een gemeenschap van vrienden en kameraden worden. De priesters en bisschoppen moesten niet langer de leiders van de kerk zijn, maar juist de ondersteunende dienaars van de gemeenschap. Overleg en dialoog werden belangrijk, bevelen en macht verdwenen meer en meer. Voor hij een brief schreef of een toespraak gaf, overlegde de bekeerde Romero altijd eerst met de armen in zijn omgeving.

De bekeerde aartsbisschop had God op een heel nieuwe manier leren kennen. Hij had begrepen dat de God van de Bijbel, de God van Abraham, Mozes, Elia en Jezus, ook altijd opnieuw de God van de armen was.

Als christen geloof ik niet in de dood zonder de heropstanding

Sinds zijn bekering was Romero echter een gevaar geworden voor de belangen van de rijke heersers van het land. De economische, politieke en militaire elite zag in hem een hindernis voor hun politiek van uitbuiting en onderdrukking. Ook voor de kerkleiders in het Vaticaan was hij een last geworden. Zij hadden gehoopt dat die Romero een gehoorzame conservatieve pion in handen van de machthebbers zou zijn, iemand die de macht van Rome zou verdedigen tegen die lastige bevrijdingstheologen. Nu was Romero echter zelf radicaal aan de kant van het uitgebuite en onderdrukte volk gaan staan en steunde hij juist hun verzet tegen die macht.

Het duurde dan ook niet lang voor ze ook hem in alle media verdacht begonnen te maken. Niet veel later kwamen ook de doodsbedreigingen en uiteindelijk smeedden ze plannen om hem daadwerkelijk te vermoorden.

Niet lang voor ook hij als martelaar werd vermoord door de paramilitairen van de economische en politieke elites van zijn land, zei de bekeerde Romero: “Pero debo decirles que como cristiano no creo en la muerte sin resurrección. Si me matan, resucitaré en el pueblo salvadoreño.” (Maar ik moet hen vertellen dat ik als christen niet geloof in de dood zonder heropstanding. Als ze mij doden, zal ik opstaan in het Salvadoreense volk.)

In maart 1980 droeg Romero een mis op in San Salvador. Hij riep in zijn preek de christelijke militairen van El Salvador op om niet langer blind gehoorzaam te zijn aan de bevelen van hun regering. Als de heersers hen opriepen om anderen te vermoorden, dan moesten christenen weten dat het hun plicht was om deze goddeloze bevelen naast zich neer te leggen. Deze oproep tot soldaten om de bevelen van hun oversten te negeren was een zoveelste oproep tot verzet. Voor de heersers was het een druppel die hun emmer deed overlopen. Deze man mocht niet blijven leven.

De dag erna was hij in een ziekenhuis waar kankerpatiënten werden behandeld om ook daar een mis op te dragen. Het evangeliefragment van die dag kwam uit het Johannesevangelie :
“Jezus antwoordde hun: “Het uur is gekomen, dat de Mensenzoon verhoogd zal worden. Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: als de graankorrel niet in de aarde valt en sterft, blijft hij alleen: maar als hij sterft, brengt hij veel vrucht voort. Wie zijn leven bemint, verliest het, maar wie zijn leven in deze wereldorde veracht, zal het ten eeuwigen leven bewaren. Wil iemand Mij dienen, dan moet hij Mij volgen; waar Ik ben, daar zal ook mijn dienaar zijn. Als iemand Mij dient, zal de Vader hem eren. “(Johannes 12:23-26)

Toen Oscar Arnulfo Romero, de bekeerde aartsbisschop van San Salvador en de levende heilige van de armen en onderdrukten van heel het land El Salvador, dit stuk evangelie had voorgelezen en erover had gepreekt, ging hij terug bij het altaar staan om de mis verder te zetten.

“Deze heilige mis, de eucharistie, is op zichzelf al een daad van vertrouwen. Als christenen vertrouwen we erop dat tijdens die ogenblik de hostie, gebakken uit graan, getransformeerd wordt in het lichaam van hem die zichzelf opofferde voor de bevrijding van de wereld en dat de beker met wijn getransformeerd wordt in het bloed dat de prijs van onze verlossing was. Moge dit getormenteerde lichaam en dit bloed dat voor mensen werd vergoten, ons voeden zodat ook wij ons lichaam en ons bloed zouden kunnen geven om te lijden en pijn te verdragen net als Christus. Niet voor onszelf, maar om gerechtigheid en vrede te stichten voor ons volk.”

Een paar seconden later werd Romero dodelijk getroffen door een kogel. Zijn lichaam werd, net zoals het lichaam van miljoenen opstandelingen voor hem, door de militairen van de heersers vermoord. Maar net als Jezus, Hoessein, Muntzer en miljoenen andere vermoorde rebellen was deze dodelijke aanslag niet voldoende om hem het zwijgen op te leggen. Zoals hij zelf had voorspeld was zijn opstandige geest springlevend in de strijd van de onderdrukten in El Salvador. Tot op de dag van vandaag wordt de bekeerde aartsbisschop Oscar Arnulfo Romero door miljoenen Salvadorianen geprezen en leeft hij verder in hun verzet tegen uitbuiting en onderdrukking.

Ook hij herinnert ons, iedere keer dat we hem opnieuw zien opstaan in het verzet van de armen, aan het mysterie van het martelaarschap. De heersers kunnen alleen de lichamen van de rebellen vermoorden, hun revolutionaire geest blijft eeuwig leven in de voortgezette strijd van hun kameraden.

Compañero Oscar Romero: Presente para siempre!

Amen