Het lezen van teksten in de lagen van de contexten

Iemand vroeg me ooit of ik misschien niet geloofde dat een citaat uit het boek Jesaja dat hij me zojuist had getoond echt wel uit de Bijbel kwam. Ik vond dat een beetje een vreemde vraag. Ik had hem inderdaad gevraagd om bij het lezen en interpreteren van dat citaat ook rekening te houden met alle contexten waarin die tekst ingebed lag. Ik betwijfelde niet dat het citaat uit de Bijbel kwam, in tegendeel. Ik wilde juist benadrukken dat Bijbelse citaten een deel zijn van een hele bibliotheek (de Bijbel) en dat ze alleen maar correct geïnterpreteerd kunnen worden als deel van die bibliotheek.

Het citaat waar die persoon met mij wilde delen was:

וְנָשָׂא נֵס לַגּוֹיִם
וְאָסַף נִדְחֵי יִשְׂרָאֵל
וּנְפֻצוֹת יְהוּדָה יְקַבֵּץ
מֵאַרְבַּע כַּנְפוֹת הָאָרֶץ

“He will raise a signal for the nations
and will assemble the banished of Israel,
and gather the dispersed of Judah
from the four corners of the earth.”

“Opheffen zal hij een vaandel onder de volken
en verzamelen Israëls verstotenen;
Juda’s verstrooiden zal hij bijeenhalen
van de vier vleugels van de aarde.”

(Jesaja 11:12)

Het citaat werd mij doorgestuurd in deze Engelse vertaling, de zogenaamde English Standard Version. De Nederlandse vertaling die ik hier gebruik is deze uit de Naardensen Bijbelvertaling van Pieter Oussoren. De Hebreeuwse tekst is komt uit de Masoretische verstie.

De persoon die mij dit stukje uit het boek Jesaja doorstuurde, beweerde dat het ging om een millennia-oude voorspelling die sprak over het ontstaan van de hedendaagse Zionistische staat Israël. Ik betwijfel dit. Hij beweerde dat God zelf, doorheen de woorden van de profeet Jesajahoe (vrede zij met hem), voorspeld had dat de joodse bevolking in ballingschap in de twintigste eeuw terug samen zou komen en samen opnieuw de staat Israël zou oprichten. Ook dat betwijfel ik. Ik denk dat ik goede redenen heb om dat te betwijfelen.

Ik geloof namelijk niet dat Jesajahoe bijna drie millenia geleden een voorspelling deed over dat tijdsgewricht waar wij vandaag toevallig in leven. Ik geloofde ook niet dat de Engelse vertaling die hij mij doorstuurde helemaal geslaagd was. Ik stelde me heel wat vragen bij de interpretatie die deze persoon, volgens mij geïnspireerd door Amerikaanse fundamentalistische Christelijke exegeten, aan dit citaat vastknoopte. Ik stelde me ook vragen bij de manier waarop hij met Bijbelse teksten omging, zijn manier om Bijbelse teksten te lezen.

Hoe moeten we dan die oude, tegendraadse en onrustwekkende teksten uit de Bijbel en de Koran nu eigenlijk lezen? Waar moeten we rekenening mee houden als we echt tot die teksten willen doordringen? Wat zijn de hindernissen die we moeten overwinnen om zo dicht mogelijk bij de oorspronkelijke betekenis van die tekst te komen? Hoe kunnen we voorkomen dat we ze op een bijgelovige, en naïeve manier gaan lezen?

Traduire, c’est trahir un peu

Eerst en vooral is het natuurlijk belangrijk om te beseffen dat Bijbel en Koran niet in het Nederlands of in het Engels werden geschreven. Het is heel mooi dat deze teksten in vertaling beschikbaar zijn, maar bij het lezen moeten we er ons bewust van zijn dat een vertaling slechts een vertaling is. Traduttore traditore, traduire c’est trahir un peu. Vertalen is altijd een beetje verraden van de oorspronkelijke betekenis. Dat betekent niet dat we die teksten niet in vertaling mogen lezen. Het betekent wel dat we bij het lezen van die vertalingen altijd een beetje wantrouwig moeten blijven.

Zelfs wanneer een vertaler zo goed mogelijk haar best heeft gedaan om een zo goed mogelijke vertaling te maken, waarbij de betekenis van de oorspronkelijke tekst zo dicht mogelijk wordt benaderd, dan gaat er nog veel verloren in de vertaling. Een tekst is namelijk heel wat meer dan alleen de betekenissen die hij overdraagt. Een tekst bevat beelden en metaforen, een tekst heeft ritme en rijm. Al deze zaken zijn soms heel moeilijk om in een vertaling over te nemen, maar ze zijn wel een belangrijk aspect van hoe de tekst overkomt.

Het zou natuurlijk ideaal zijn als iedereen een talenknobbel had en zonder problemen Oud-Hebreeuws, Aramees, Koiné Grieks en Klassiek Arabisch zou kunnen leren. Helaas leven we niet in zo’n ideale wereld. Dus moeten we strategieën ontwikkelen om vertalingen te leren en toch voorzichtig genoeg zijn. We moeten nieuwe manieren van leren om met teksten om te gaan. We moeten de praktijk van het lezen opnieuw structureren. Kort door de bocht: we moeten opnieuw leren lezen.

Het is natuurlijk altijd beter om gewoon een vertaling te lezen dan om niets te lezen. Het is zelfs nog beter om meer dan één vertaling bij de hand te nemen. Door te zien waar de verschillende vertaalde versies nogal van mekaar verschillen, kunnen we de moeilijk te vertalen passages uit de tekst op het spoor komen. Het is belangrijk dat we weten welke passages moeilijk vertaald kunnen worden en dat we een beetje voorzichtig zijn op die plaatsen. Het zou natuurlijk nog beter zijn als we die moeilijke passages ook wat extra gaan onderzoeken. Bijvoorbeeld kijken welke woorden het zijn waar de vertalers het moeilijk mee hebben en uitpluizen waar die woorden elders in de tekst voorkomen en hoe ze daar vertaald werden. Een goede woordenlijst en een concordantielijst kunnen daarbij helpen.

Als we bijvoorbeeld verschillende Engelse vertalingen van hetzelfde fragment uit Jesaja bij mekaar leggen, dan valt meteen op dat het woord “signal” uit de English Standard Version. in de meeste andere vertalingen niet voorkomt. Volgens de meeste andere Engelstalige versies zal er een “banner”, een “flag”, een “standard” of desnoods een “signal flag” worden opgericht. Dit is een detail dat niet zo heel veel lijkt uit te maken voor de betekenis van de tekst, maar zo lang we slechts bij één vertaling blijven hangen, valt het niet op dat er oorspronkelijk iets staat dat niet echt goed vertaald wordt met de Engelse term “signal”. Pas doordat we meerdere vertalingen naast mekaar gebruiken, valt dit op.

Wie veel tijd heeft kan ook proberen om de oorspronkelijke tekst parallel te lezen met één of meerdere vertalingen. Op die manier kunnen we via de vertaling al vermoeden wat de oorspronkelijke betekenis van de tekst ongeveer was, terwijl we toch via de oorspronkelijke tekst kunnen voelen hoe het ritme en het rijm overkomen. Zeker bij liturgische en/of poëtische teksten kan dit heel belangrijk zijn. De klank van een tekst is een belangrijk deel van hoe de betekenissen op de oorspronkelijke lezer werden overgedragen. Die klank gaat in de meeste vertalingen helemaal verloren. Dat is jammer. Deze manier van lezen vergt natuurlijk iets meer inspanning dan het lezen van de vertalingen alleen, maar we komen zo veel meer te weten over hoe de oorspronkelijke tekst zijn betekenissen produceerde. Als alles goed gaat, leren we op die manier zelfs hier en daar een beetje Hebreeuws, Aramees, Grieks of Arabisch bij.

Als we blijven hangen bij de verschillende vertalingen, en niet zelf woord per woord ook proberen de oorspronkelijke tekst te ontcijferen, dan merken we bij het fragment uit Jesaja bijvoorbeeld niet op dat de “four corners of the world” uit de meeste vertalingen, eigenlijk in het hebreeuws de vier “vleugels” van de wereld zijn. Het Hebreeuwse woord “כּנפות” (kanfoot) is namelijk afkomstig van het wortelwoord “כּנף” (kanaf) dat in de eerste plaats “gevederde” of “vleugel” betekent. Ook hier is er op zich niet echt een probleem voor het begrijpen van de betekenis van het citaat. Het woord kanaf werd in het Hebreeuws van de Bijbel vaak als “grens” of “uiterste” gebruikt en het lijkt duidelijk dat het hier inderdaad gaat over de vier uithoeken van de wereld. Ook hier wijkt de vertaling niet echt heel veel af van het origineel, maar gaat er een deel mooie poëtische beeldspraak verloren.

De tekst in al zijn contexten

Ik wilde de persoon die mij dat citaat uit Jeasaja voorschotelde, ook zeggen dat we de bedoeling van de auteur alleen kunnen begrijpen, als we de fragmenten lezen in alle verschillende contexten waar ze deel van uitmaken. En dat zijn er heel wat. Een tekst is steeds het product van een materieel schrijfproces. Hij ontstaat niet in een vacuüm. Zeker bij heel oude teksten is het van levensbelang om op zoek te gaan naar alle contexten waarbinnen dat materiële schrijfproces tot stand kwam.

De context van het boek zelf

Eerst en vooral is er steeds de context van het boek zelf. Een citaat is steeds per definitie een stukje uit een langere tekst. Als we die langere tekst buiten beschouwing laten, en ons alleen op dat ene korte fragmentje concentreren, dan kan het wel eens zijn dat we de eigenlijke bedoeling van de tekst geweld aandoen. Wie maar genoeg speurt in lange teksten, kan altijd wel korte citaatjes vinden die precies lijken te zeggen wat de lezer in de tekst zou willen zien. Het is dan steeds maar weer de vraag of dat citaat ook wel echt de bedoeling had om die betekenis over te brengen die de lezer erin wil leggen.

Ieder fragment van ut het boek van Jesaja is bijvoorbeeld niets meer dan één onderdeel van dat hele boek en moet ook in die context worden gelezen. Door de rest van het boek te negeren, doe je de tekst geweld aan. Het boek vertelt een heel verhaal over een dramatische historische gebeurtenis, het verhaal over de ballingschap van het Joodse volk, en geeft commentaar bij die gebeurtenis. Dat commentaar is complex en gelaagd en kan nooit worden samengevat in één citaat. Het verhaal dat de auteurs van het boek Jesaja wilden vertellen, past nooit in één kort stukje tekst, in één oneliner.

Als we het citaat uit Jesaja dus willen begrijpen, dan moeten we onderzoeken waar het precies past in het geheel van dat boek. Wat staat er bijvoorbeeld verdet nog te lezen in het hoofdstuk? Wat staat er in de voorgaande hoofdstukken of in deze die er op volgen?

Het is bijvoorbeeld ook belangrijk om te begrijpen dat het boek Jesaja waarschijnlijk uit drie delen bestaat, door drie verschillende auteurs in drie verschillende historische periodes geschreven. De auteur van het eerste deel van het boek was namelijk ook een leidende persoon binnen één van de vele religieus-politieke bewegingen binnen het klassieke Jodendom. Mensen die na hem in dezelfde beweging actief waren, hebben onder zijn naam geschreven. Dat was overigens niet abnormaal in die tijd. Veel klassieke auteurs beschouwden het een eerbetoon aan hun leermeesters om eigen teksten uit te geven onder de naam van die meesters.

Het eerste deel, dat vaak “Proto-Jesaja” of “eerste Jesaja” wordt genoemd loopt van hoofdstuk 1 t.e.m. hoofdstuk 39. Dat deel werd waarschijnlijk geschreven door een profeet die echt “ישעיהו” (Jesajahoe) heette. Het bevat waarschuwingen voor het volk Israël, meer bepaald voor de bevolking van het koninkrijk Juda en hun leiders dat ze terug moeten keren naar de Thora, naar Gods Weg/Wet van rechtvaardigheid, solidariteit en vrede. Als ze dat niet doen, zo waarschuwt Proto-Jesaja, dan zullen zij door vreemde overheersers veroverd en tot slaaf gemaakt worden. Vanaf hoofdstuk 34 vertelt hij ook hoe deze voorspelling is uitgekomen en hoe het volk ten prooi is gevallen aan het Babylonische imperialisme en hoe de bevolking als slaven in ballingschap werd meegevoerd.

Vanaf hoofdstuk 40 neemt een tweede auteur het over. Daar begint de zogenaamde “Deutero-Jesaja” of “tweede Jesaja” te spreken. Zoals gezegd heette de schrijver van dit deel waarschijnlijk zelf niet “Jesajahoe”, zijn echte naam is echter onbekend gebleven. Wat we wel weten is dat hij ongeveer een generatie later leefde, tijdens de Babylonische ballingschap en dat hij dan ook vanuit dat perspectief zijn verhaal vertelde. Hij vertelt over het leven van het volk Israël onder de heerschappij van de Babylonische imperialistische slavenmaatschappij. Hij schrijft echter niet alleen over het lijden, de onderdrukking en de uitbuiting die de bannelingen ervaren, maar ook over hun hoop op herwonnen vrijheid. Deze hoop wordt, zoals zo vaak het geval is in de Bijbel, gesymboliseerd door het bevrijde Zion, het vrij gemaakte Jeruzalem. Waarschijnlijk schreef deze tweede Jesaja de hoofdstukken 40 t.e.m. 55.

De rest van het boek wordt vaak “Trito-Jesaja” of “derde Jesaja” genoemd. Waarschijnlijk zijn dit de uitspraken en oproepen van een profeet die net na het einde van de Babylonische ballingschap heeft geleefd, in de tijd dat het volk Israël probeerde om hun samenleving opnieuw op te bouwen. Waarschijnlijk werden deze uitspraken en oproepen nog door een andere auteur verzameld en geredigeerd.

We moeten hier opmerken dat bovenstaande indeling niet helemaal klopt. Waarschijnlijk lopen de verschillende lagen van Jesaja hier en daar wat door mekaar. De latere auteurs hebben tekstfragmenten en ideeën van de vroegere bewerkt en overgenomen. Wie het boek Jesaja echt in detail wil bestudern, mag zich dus zeker niet tevreden stellen met deze net iets te simpele indeling naar auteur.

Het fragment dat mij werd voorgeschoteld komt uit hoofdstuk 11 en is dus waarschijnlijk afkomstig van de Proto-Jesaja. Dat hoofdstuk bevat, net als de hoofdstukken die er direct voor en na komen in het boek, waarschuwingen van uit de jeugdjaren van de profeet. Hij schrijft in hoofdstuk 10 over de woede van God omwille van de onderdrukkende wetten die de heersende koningen in de Joodse samenlevingen, in de koninkrijken Israël, Juda en Samaria, uitvaardigen. Hij verwijt de koningen dat ze geen oog hebben voor de armsten, voor de weduwen en de wezen, voor wie zwak is gemaakt in hun maatschappij. En hij waarschuwt dat de Joodse koninkrijken door vreemde heersers veroverd zullen worden. In hoofdstuk 11, waar het citaat uit komt, wordt echter voorspeld dat na de periode van ballingschap weer een periode van vrijheid zal komen. Dit zal echter pas gebeuren wanneer het volk Israël terugkeert naar de Weg/Wet van JHVH, de God van de Eenheid, de Solidariteit, de Gerechtigheid en de Vrede.

Pas wanneer we die context van het hele boek bekijken, snappen we waar het citaat juist over gaat. Los van die context, kan het citaat over alles en nog wat gaan. Los van de rest van het boek, kunnen wij in het citaat iedere betekenis vinden die wij er zelf in willen vinden.

De context van de hele Tenach

Het boek Jesaja is geen geïsoleerd boek. De profeet Jesajahoe en de beweging van mensen die zijn profetische oproep volgden, ontstonden niet uit het niets. Jesaja is een onderdeel van een hele traditie van profetische geschriften, van herformuleringen van Gods oproep voor een rechtvaardiged wereld. Elk van die geschriften heeft geprobeerd om die oproep te vertalen in het taaleigen van zijn specifieke tijd. Elk van die geschriften heeft ook steeds opnieuw geprobeerd om zo goed mogelijk aan te sluiten bij alles wat vooraf ging.

In de Talmoedische traditie van het Jodendom gebruikt men vaak het volgende beeld: De Thora, Gods Weg/Wet van eenheid en rechtvaardigheid, is de kern van heel de godsdienst. Rond die Thora werden verhalen gesponnen, deze werden op hun beurt gecommentarieerd en besproken. Ieder nieuwe generatie voegde een nieuwe laag van interpretaties, bedenkingen, herformuleringen en commentaar toe. Deze verschillende lagen worden “מדרשׁ” (midrasj, meervoud midrasjim) genoemd.

Bij het lezen van die midrasj-lagen is het telkens belangrijk om te begrijpen hoe iedere laag steunt op de vorige lagen. We maken een grove fout wanneer we proberen om een midrasj te begrijpen, zonder te onderzoeken op welke voorgaande midrasjim er commentaar wordt geleverd.

Eigenlijk geven de auteurs van de verschillende midrasjim op die manier het goede voorbeeld. Zij gebruikten ook citaten uit teksten, net zoals die persoon dat deed die mij het citaat uit Jesaja voorschotelde, maar zij deden dat alleen omdat ze vermoedden dat hun lezers de context van die citaten door en door kenden. Door een citaat uit een vroegere laag midrasj over te nemen, probeerden zij niet om dat citaat uit zijn contexten te isoleren, maar juist om alle mogelijke contexten van dat citaat in het bewustzijn van hun lezers op te roepen. Als zij een beeld uit de Thora overnamen, of een vers uit de Psalmen of een uitspraak van Samuel of Elia, dan gingen ze er van uit dat de lezers het citaat (her-)kenden en dat deze meteen herinnerd werden aan het geheel van de tekst waar dat citaat uit kwam.

De auteurs van het boek Jesaja waren heel goed vertrouwd met het bouwwerk van de midrasjim. Ze kenden bijvoorbeeld vrij goed de Thora en de Psalmen en en verwezen daar dan ook voortdurend naar. Ze hernamen beelden uit de Psalmen, passages uit de Thora. Ze kenden ook de verhalen over koning David, over de profeet Samuel en over de andere profeten uit het verleden. Ze gebruikten beelden, sleutelwoorden, zinswendingen… die bedoeld waren om hun lezers aan die verschillende vroegere midrasj-lagen te doen denken.

We merken dit bijvoorbeeld aan het gebruik van de naam Jakob wanneer het hele volk Israël wordt bedoeld. Wie de Thora kent, weet namelijk dat Jakob de stamvader en naamgever van het volk Israël is geweest. We merken het ook aan de verwijzingen naar de verhalen over Midjan, die ook een deel van het oorspronkelijke verhaal rond de Thora vormen. Dat ze de Psalmen goed kennen, merken we aan hun verwijzingen naar de wijnstok, een beeld dat in de Psalmen vaak wordt gebruikt. Ook de beeldspraak over de vier vleugels van de wereld zou wel eens een verwijzing naar de Psalmen kunnen zijn.

De auteurs van Jesaja kenden niet alleen die vorige lagen van midrasj, maar ze kenden ook hun eigen tijd. Ook dat is namelijk een belangrijke bron van iedere nieuwe laag midrasj. De auteurs van Jesaja wisten goed wat er om hen heen gebeurde en interpreteerden de teksten die voorgaande generaties aan het bouwerk van de midrasjim hadden toegevoegd met die kennis van de actualiteit steeds prominent aanwezig in het bewustzijn. Zij geloofden niet dat de profeten uit lang vervlogen tijden letterlijk schreven over wat er vandaag gebeurde in de wereld om hen heen, maar ze wisten wel dat de boodschap van die profeten tijdloos was. Ze wisten dat die boodschap in iedere generatie opnieuw vol betekenis was, maar steeds weer op een net iets andere manier.

De bredere literaire context

Teksten, ook Bijbelteksten, ontstaan telkens weer in een wereld waar al heel wat tekst bestaat. Ieder nieuw boek wordt geschreven in een wereld waar reeds tientallen verhalen en boeken de ronde doen. Iedere auteur kan in feite niet anders dan op haar manier verder bouwen op die bestaande literaire tradities.

Dit is op zich een bredere versie van het midrasj-model dat we hierboven al besproken hebben. Teksten uit de Bijbel verwijzen namelijk niet alleen naar andere Bijbelteksten, maar ook naar alle mogelijke niet-Bijbelse literatuur. Ook hier is het belangrijk dat de lezers op de hoogte waren van de andere teksten waarnaar verwezen werd. Ook hier was het de bedoeling dat de verwijzing, soms door een paar woorden of een typische zinswending, meteen herkend werd en dat deze meteen de hele brontekst bij de lezer in herinnering bracht.

De hedendaagse meme-cultuur op het internet is daar eigenlijk een heel mooi voorbeeld van. Stilstaande beelden of kleine fragmentjes uit films of televisieseries, moeten bij de lezer de hele film (of op zijn minst een samenvatting ervan) in herinnering brengen. Een korte begeleidende tekst geeft commentaar op het gekozen fragment, op de film of televisieserie zelf, en op de cultuur waarin die oorspronkelijke film ingebed zet. Ieder meme is echter ook een commentaar op de eigen tijd, op de evoluties en gebeurtenissen die de auteur van de meme zelf ervaart. Het is voor het begrijpen van de meme dan ook noodzakelijk om zowel het oorspronkelijke beeld als de actualiteit goed te kennen.

In de tijd dat de auteurs van het boek Jesaja schreven, waren de Babylonische mythes vrij goed bekend bij de meeste Joodse lezers. Zeker in de tijd dat Deutero-Jesaja en Trito-Jesaja actief waren, hadden de Joodse intellectuelen een lange periode van voortdurende blootstelling aan Babylonische literatuut doorgemaakt. De meeste Joodse denkers uit die tijd kenden ook veel van de Babylonische wetenschap en filosofie. Ze hadden verschillende populaire traktaten gelezen en wisten ook dat de meeste andere denkers deze ook gelezen hadden. Verder waren er ook liederen, gedichten, gebeden en verhalen die al generaties lang mondeling werden doorgegeven. Ook deze waren vrij algemeen bekend. Bij het schrijven van het boek Jesaja werd enthousiast geput uit die hele rijke traditie van buiten-Bijbelse literatuur. Net als zoveel andere Bijbelboeken staat ook deze tekst dus bol van de verwijzingen.

Misschien is dit het moment om even op te merken dat het waarschijnlijk onmogelijk is om nog alle mogelijke teksten te leren kennen die samen de brede literaire context van een boek als Jesaja vormden. Helaas is heel veel literatuur voorgoed vergeten. Het is dan ook onmogelijk om alle verwijzingen in een Bijbelboek te begrijpen. Dit betekent niet dat we onze inspanningen dan maar meteen moeten opgeven. We kunnen misschien niet iedere verwijzing snappen, maar dat betekent niet dat we niets van de tekst kunnen begrijpen. Wij zijn geen ideale lezers in ideale omstandigheden, maar echte materiële lezers in de materiële wereld van de eenentwintigste eeuw. We moeten dan ook niet de ambitie hebben om tot een ideale en volmaakte lezing te komen. Het is al voldoende als we tot een materiële en verantwoorde lezing kunnen komen. We moeten namelijk weten dat ook de auteurs van Jesaja materiële mensen waren die in materiële omstandigheden leefden en in die materiële omstandigheden vroegere teksten lazen en becommentarieerden. Ook zij waren reeds afgesloten van een deel van de betekenissen van de vroegere teksten die zij in hun eigen tekst verwerkten. Ook zij hadden een door de materiële omstandigheden beperkte kijk op het materiaal waarmee ze aan de slag gingen.

Het is niet onze opdracht om ieder mogelijk detail van iedere mogelijke context van iedere Bijbelse of Koranische tekst te doorgronden. We moeten er alleen naar streven om alle contextlagen waar we wel nog toegang toe hebben, te leren kennen en te onderzoeken welke rol deze speelden in het tot stand komen van de tekst en in het produceren van de betekenissen van die tekst.

De bredere historische context

Zoals we hierboven al schreven, komt iedere tekst tot stand in een materiële wereld. Teksten ontstaan onder materiële historische omstandigheden en die omstandigheden spelen dan ook een belangrijke rol bij het produceren van die tekst. Het is verkeerd om te doen alsof teksten uit het niets zijn ontstaan.

Het boek Jesaja ontstond, zoals reeds gezegd, in drie verschillende historische perioden die alledrie van enorm belang waren in de geschiedenis van het Joodse volk. Het is belangrijk om deze perioden te leren kennen, om te weten wat de doorslaggevende gebeurtenissen waren die deze perioden vormgaven en om de verschillende stemmen uit die tijd te leren kennen. Deze historische feiten vormen de achtergrond, het decor dat bij het optreden van Jesaja hoort. Het is bijna onmogelijk om dit boek goed te begrijpen, als we niet eerst alle relevante gebeurtenissen in kaart brengen. Alleen wanneer we zelf proberen die historische context juist te schetsen, kunnen we de boodschap van het boek stilaan beginnen te begrijpen.

Proto-Jesaja schreef bijvoorbeeld in de tijd net voor de Babylonische ballingschap, toen de Joodse koninkrijken in verval raakten en de decadentie van de heersende koningen hemeltergende vormen aannam. Toen de jonge profeet Jesajahoe voor het eerst de wereld begon te bevrijpen, was Uzzia de heerser in het koninkrijk Juda. Jesaja klaagt de decadentie van zijn regering voortdurend aan en waarschuwt dat deze niet ongestraft zal kunnen blijven. Ook later, wanneer Uzzia gestorven is en Hizikia het roer heeft overgenomen, blijven machtsmisbruik en decadentie bestaan en nemen ze zelfs nog toe.

Jesaja drukt in zijn geschriften de woede en de onmacht van de bevolking uit tegenover dat machtsmisbruik van de heersende klasse. Hij vertolkt ook de woede van JHVH, de Ene, God van de Gerechtigheid en de Solidariteit, bij het zien van al dat onrecht. Hij roept op tot bekering, tot een ommekeer (een revolutie) waarbij niet het verlangen en de machtshonger van een klein groepje, maar de belangen en de verzuchtingen van de armen en onderdrukten centraal komen te staan. Hij waarschuwt ervoor dat, als deze ommekeer er niet komt, het koninkrijk ten prooi zou vallen aan vreemde heersers en dat de heersende klasse uit Israël zelf als slaven uitgebuit zouden worden.

Maar Jesaja geeft hier de hoop ook niet op. Hij voorspelt dat, zelfs als de vreemde heersers zullen komen en het volk in ballingschap weg zullen voeren, ook aan die periode van ellende een einde zal komen. Hier vertolkt hij de hoop van de bevolking, het verlangen van alle onderdrukten, niet alleen in zijn tijd maar doorheen de eeuwen der eeuwen, op eindelijk een rechtvaardige maatschappij. Hij is de eerste profeet die dit verlangen verbindt aan de hoop op een bevrijdende leider, iemand die als een nieuwe Mozes de mensen weg zal leiden uit de ellende en samen met hen een nieuwe samenleving zal opbouwen. Die nieuwe leider krijgt hier voor het eerst de titel “המשיח” (de gezalfde / de messias) en wordt vanaf dan een steeds weerkerend symbool voor het moment van de ommekeer, de dag van de opstand die de nieuwe wereld van eenheid, solidariteit, rechtvaardigheid en vrede zou inluiden.

Deutero-Jesaja schreef in de tijd van de ballingschap zelf. Hij kende het lijden van het verbannen volk Israël, maar hij was niet vergeten wat de eerste Jesaja had gezegd. Hij begreep dat deze nieuwe situatie van slavernij en ballinschap het gevolg was van de manier waarop de heersers hun bevolking hadden onderdrukt. Hij kende de verhalen over de God van Israël die volgens het boek Sjemot (Exodus) de ellende van de slaven in Egypte heeft gezien en hun jammerkreten heeft gehoord. Over deze God die op dezelfde manier het lijden van de bannelingen ziet en hun zuchtende verlangen naar bevrijding hoort, wil hij vertellen. De God die in de tijd van Mozes het volk van slaven uit Egypte had gered, wil dat ook vandaag doen. We vinden die boodschap bijvoorbeeld in Jesaja 43:11-13 in letterlijk dezelfde woorden als in het 32ste hoofdstuk van het boek Devarim (Deuteronomium) in de Thora.

Deze tweede Jesaja herneemt ook het thema van de bevrijdende Messias die zou komen. Hij maakt dit beeld echter een heel stuk concreter en stelt ons de Perzische koning Cyrus voor als de gezalfde. De Messias is geen spiritueel zwevende dweper, niet eens een Jood, maar de koning van het Perzische rijk die een einde bracht aan de ballingschap. De auteurs van de Deutero-Jesaja waren wat dat betreft heel wat materialistischer dan veel van de gelovigen die eeuwen nadien hun woorden opnieuw interpreteerden en er een magische voorspelling van de komst van een bovennatuurlijke deus ex machina in lazen. Dat soort beloftes op een bovennatuurlijke interventie, begreep Deutero-Jesaja reeds, zijn niets anders dan opium voor het volk. Het zijn verhaaltjes om de bevolking te laten inslapen en om hen iedere autonomie af te nemen. Als er een Messias zal komen, dan zal het een materiële mens van vlees en bloed zijn. Iemand die voldoende macht heeft kunnen verzamelen om echt een bevrijdende invloed te hebben op de geschiedenis. Iemand die voldoende empathie heeft met de onderdrukten om die macht ook ten goede te gebruiken.

In de tijd dat de auteurs van Trito-Jesaja leefde was de ballingschap achter de rug. Cyrus had de Babyloniërs verslagen. De Joodse koninkrijken werden nu vazalstaten van het Perzische rijk en de Joodse ballingen mochten terugkeren naar huis. Tegen deze veel hoopgevender achtergrond, zien we dat de auteurs van dit deel van het boek ook hier een tegendraadse stem laten horen. Was de Messias bij Deutero-Jesaja nog de met naam genoemde progressieve heerser over een groot imperium, bij Trito-Jesaja is hij echter een verschoppeling. Iemand die veracht en vernederd werd, verjaagd en vervolgd. De auteurs van deze derde Jesaja namen de Goddelijke voorkeur voor de onderdrukten en de uitgebuiten heel serieus en verbeeldden zelfs de beloofde leider die eindelijk de volledige bevrijding zou brengen, als een geslagen en gefolterd slachtoffer van onderdrukking.

Dit heeft misschien te maken met het feit dat er bij de terugkeer uit de ballingschap, een ernstig conflict ontstond tussen de vroegere elite, die als slaven in Babylonië had moeten leven, en de rest van het volk. De mensen die vroeger onderdrukt waren, die door de vroegere elite als slaven waren behandeld, hadden het tijdens de periode van de Babylonische ballingschap relatief goed gehad. Zij waren thuis kunnen blijven en hadden een relatief comfortabel leven kunnen uitbouwen, zonder de uitbuiting door de vroegere koningen en hun handlangers. Nu deze vroegere uitbuiters terugkwamen uit Babylon, botste dat op weerstand.

In dit conflict, waar zowel de vroegere uitgebuite klasse als hun uitbuiters, die net een periode van slavernij en ballingschap hadden overleefd, reageerden vanuit een scherp lijden dat hen was aangedaan, kiezen de auteurs van de Trito-Jesaja ervoor om de Messias te verbeelden als een mens die zelf zwaar geleden heeft.

Wanneer we al die verschillende historische gebeurtenissen zien, dan wordt het veel gemakkelijker om de boodschap van het boek Jesaja te begrijpen. Het is, zoals iedere profetische boodschap, een tijdloze aanklacht tegen onrecht en een tijdloze uitdrukking van hoop en verlangen, maar wel geschreven met de concrete historische gebeurtenissen van hun tijd in het achterhoofd.

De persoonlijke context

Een contextuele lezing van een tekst is niet veel waard, als we niet inzien dat ook de auteurs van die tekst materiële mensen waren die in materiële omstandigheden leefden en door die omstandigheden geconditioneerd werden. Het is belangrijk om te weten wie deze auteurs waren, uit welk milieu ze afkomstig waren, van welke beweging ze deel uitmaakten. Dat zijn allemaal zaken die er toe doen.

Helaas weten we niet heel veel over het persoonlijke leven van de profeet Jesajahoe, de auteur van de Proto-Jesaja. Over de auteurs van de Deutero-Jesaja en de Trito-Jesaja weten we zelfs bijna niets.

We weten dat Jesajahoe volgens zijn eigen verhaal de zoon was van een man die Amos werd genoemd. We weten ook dat hij getrouwd was met een vrouw die zelf ook profetes werd genoemd. Hij had volgens het verhaal drie kinderen. Veel meer komen we niet over hem te weten.

Dat is jammer. Er zijn heel wat profetische auteurs in de Bijbel over wiens leven we vrij veel te weten kunnen komen. Mozes, bijvoorbeeld, was volgens het verhaal geboren als een kind uit het Hebreeuwse slavenvolk in Egypte. Via een vreemde omweg kwam hij, gelegen een mandje dat op de Nijl dreef, aan het hof van de Farao terecht. Als adolescent radicaliseerde hij toen hij de ellende van zijn volksgenoten zag, die als slaven moesten zwoegen voor het hof van de Farao, voor zijn pleegfamilie zeg maar. Hij ging in zijn jeugdige enthousiasme zo ver dat hij dodelijk geweld gebruikte tegen één van de opzichters die de slaven mishandelde. Door die terroristische actie werd hij een gezochte misdadiger en moest hij vluchten naar Midian. Pas na jaren op de vlucht keerde hij weer naar Egypte, nog steeds een radicale voorstander van de bevrijding van de slaven, maar met veel meer wijsheid. Als we die biografische context kennen, dan wordt het meteen een pak helderder hoe deze Mozes tot zijn revolutionaire en opstandige politieke praxis is gekomen.

Ook over de profeet Samuel weten we bijvoorbeeld vrij veel. Die werd als kleuter door zijn moeder afgestaan aan een tempel in Shiloh. Daar had hij een heel strenge jeugd, tussen de half-bejaarde priesters. Van kinds af aan moest hij er mee leren leven dat zijn moeder, die waarschijnlijk leed aan één of andere vorm van godsdienstwaan, hem had afgestaan aan een bende oude mannen in een tempel die nu niet echt bekend stond om zijn authentieke vroomheid. Hij werd een stil en teruggetrokken kind, een voortdurende piekeraar, die steeds strenger en harder werd voor zichzelf en zijn omgeving. Ook hier zien we hoe het materiële leven van deze profeet een onuitwisbare indruk heeft nagelaten op zijn latere optreden als profeet.

Over de profeet Amos weten we dat hij een ongeletterde vijgenboer was, afkomstig uit het koninkrijk Juda, maar actief in het koninkrijk Israël. Hij was duidelijk afkomstig uit de lagere klasse van boeren en arbeiders en had geen opleiding tot profeet genoten. In zijn tijd was het namelijk al de gewoonte dat er aan het hof een aantal hoogopgeleide profeten werkten, die de koninklijke belangen en verlangens moesten voorzien van een godsdienstig-ideologisch verkoopspraatje. Hij behoorde niet tot dat milieu van heersers en hun dikbetaalde propagandisten. Hij was een boer, dan nog één uit het boertige Juda, die in Israël kwam vertellen dat de heersers rechtvaardiger moesten zijn. Die biografische context is heel belangrijk, want het verklaart niet alleen zijn optreden als profeet, maar ook de manier waarop de heersers op zijn boodschap reageerden. Amos werd verjaagd en vervolgd en uiteindelijk het land uitgezet.

Het levensverhaal van de profeet Jezus is beroemd. Hij werd geboren als zoontje van een ongehuwd zwangere moeder, die zelf nog maar een tiener was toen ze van hem beviel. Hij groeide als ambachtsman in een dorp waar vooral vissers en boeren woonden. Niets in zijn vroege leven deed vermoeden dat hij ooit één van de grootste religieuze leiders van zijn tijd zou worden, één van de meest gerespecteerde rabbijnen uit de geschiedenis. Toen hij op zijn twaalf jaar voor het eerst in de Tempel kwam en er met de mensen praatte, toen hingen ze aan zijn lippen. De mensen hadden daar al veel hoogopgeleide rabbijnen gehoord die alle mogelijke boeken hadden gelezen, maar nog nooit een snotneus die sprak vanuit de ervaring van de werkende klasse, in een plattelandsdorp aan de rand van het land.

Ook over het leven van de profeet Mohammed weten we heel veel. Hij was al wees geworden toen hij nog een kleuter was en bracht heel zijn jeugd in armoede en vernedering door. Toen hij volwassen werd, maakte hij kennis met Khadija, zijn eerste grote geliefde. Zij was een rijke weduwe die de handelszaak van haar overleden man beheerde. Ineens leerde Mohammed ook de rijkere kant van de maatschappij kennen. Hij vergat echter nooit waar hij vandaan kwam en de enorme kloof tussen de luxelevens van de rijke elite en het zwoegen en zweten van de armen, maakte hem opstandig.

Over de levens van al deze profeten staat vrij veel geschreven. Het is heel belangrijk om te weten wie ze waren, welke positie zij persoonlijk innamen in de complexe maatschappijen waar ze leefden. Doordat we weten uit welke klasse ze komen, dat ze al dan niet vreemdelingen waren, dat ze al dan niet opgeleid waren, kunnen we hun teksten beter leren begrijpen. Helaas weten we dus maar heel weinig over de biografie van de profeet Jesaja. Dat is jammer. Maar ook hier mag dit op zich geen reden zijn om zijn teksten dan maar niet te lezen. Zo lang we beseffen dat er veel is dat we niet weten, en ook dat besef is een belangrijk inzicht, kunnen we toch zo goed als we kunnen proberen om de teksten in al hun contexten te lezen.

Onze eigen contexten

Het is goed om de verschillende literaire, historische, politieke, sociale en persoonlijke contexten te leren kennen waarin een tekst ontstond. Dat is zelfs noodzakelijk om de tekst echt te leren begrijpen. Maar als aanhanger van de God van de Bevrijding, de God van de Opstand tegen slavernij, wil ik het zelf daar niet bij laten.

Ik geloof niet dat profeten als Jesajahoe voorspellingen deden over de historische feiten van vandaag. Zij hadden niet de mogelijkheid om letterlijk te voorspellen wat er in onze wereld om ons heen zou gebeuren. Ze hadden geen magische krachten die hen in staat stelden om duizenden jaren in de toekomst te kijken.

Toch zijn hun teksten nog heel relevant voor ons. Ook al konden de profeten niet op magische wijze in de toekomst kijken, ze keken wel heel goed naar de tendensen en evoluties in de samenleving van hun tijd. Ze zagen wat er gebeurde, ze hadden oog voor de onderdrukking en de uitbuiting van de mensen. Ze konden het lijden zien en hoorden de angstkreten en de verzuchtingen van de mensen. Maar ze zagen ook de hoop op een betere wereld, die bij alle onderdrukten steeds weer aanwezig is. Zo kregen ze niet alleen een goed inzicht in hetgeen er rondom hen gebeurde, ze konden ook zien waar dat alles naartoe leidde.

De profeten uit Bijbel en Koran kenden de wetten van oorzaak en gevolg en op die manier konden ze voorspellingen doen. Zij keken dieper dan de toevallige grillen van hun toevallige tijdsgewricht en zagen hoe structuren en dynamieken die veel tijdlozer waren de gebeurtenissen om hen heen bepaalden. Die onderliggende structuren en dynamieken bestaan nog steeds. Juist daarom zijn die profetische teksten ook vandaag nog heel relevant.

Aangezien wij ook vandaag nog leven in een wereld waar de dynamieken van onderdrukking en uitbuiting blijven spelen, waar macht en eigendom van de heersers nog steeds alles domineren, kunnen we veel leren van hun profetische manier van kijken.

Juist daarom moeten wij, als we de profetische teksten uit Bijbel en Koran ook vandaag op een bevrijdende manier willen lezen, zelf ook oog hebben voor de contexten waarin wij zelf leven en lezen. Naar het voorbeeld van rebelse theologen als Martin Buber, Mahmud Taha, Karl Barth, Simone Weil, Dietrich Bonhoeffer, Dorothee Sölle, Ali Shariati, Leonardo Boff en zo vele anderen, kunnen we proberen de eeuwenoude teksten te lezen als een profetisch commentaar op structuren en dynamieken van onderdrukking en uitbuiting die vandaag nog steeds bestaan.

Om dat te doen, om onze context als hedendaagse lezers bij de tekst te betrekken, kunnen we ons afvragen wie vandaag de Uzzia’s en de Hizikia’s van deze wereld zijn. We kunnen ons afvragen welke grootmachten vandaag de rol spelen die het imperialistische Babylon speelde in de tijd van Jesaja. We kunnen ons afvragen wat vandaag onze Babylonische ballingschap is, hoe we uit die ballingschap bevrijd kunnen worden en welke conflicten daar uit voortvloeien. Ook kunnen we op zoek gaan naar de personen, bewegingen, krachten of organisaties die vandaag in onze wereld de Messias zouden kunnen zijn of worden.

Wanneer we deze oefening doen, moeten we er ons echter ook bewust van zijn dat ook onze eigen persoonlijke contexten onherroepelijk een rol zullen spelen bij onze manier van interpreteren. Ook wij hebben een gender, een klasse, een huidskleur, een opleidingsniveau… Ook wij leven in maatschappijen die aan deze kenmerken een bepaalde waarde toekennen. Ook onze jeugd is zorgeloos of juist heel moeilijk geweest. Ook onze lichamen zijn op hun eigen manier de ene keer sterk en dan weer zwakker. Ook wij leven in een villa, een sociale woning of misschien zelfs onder een brug. Op precies dezelfde manier waarop de persoonlijke context van de profetische auteurs belangrijks was voor het tot stand komen van de tekst, zijn onze persoonlijke contexten als lezers belangrijk bij het tot stand komen van onze interpretatie. We mogen daar niet blind voor zijn.

Soms vormen onze eigen persoonlijke contexten een belemmering bij het lezen en interpreteren. Als we zelf in een relatief comfortabele situatie leven, als we zelf nog nooit echt honger hebben gehad, wordt het moeilijker om echt te begrijpen wat de ellende van een hongersnood precies betekent. Als we zelf een gender hebben dat ons in onze maatschappij meer privilege oplevert dan andere genders, dan kunnen we moeilijker begrijpen hoe het voelt om zonder dat privilege te leven. De Salvadoraanse aartsbisschop en bevrijdingstheoloog Oscar Romero zei ooit dat er sommige dingen bestaan die men niet kan zien met ogen die nog nooit gehuild hebben. Het veilige comfort van onze privileges maakt het soms moeilijk om oog te hebben voor de levens, de problemen, de strijd en de hoop van mensen die zonder die privileges moeten leven.

Tegelijk kunnen die eigen persoonlijke contexten ook juist een verrijking worden van onze interpretaties. Onze eigen ervaringen met onrecht, uitbuiting en onderdrukking, met armoede en ellende, met verzet en strijd, met hoop op een betere wereld… en ons eigen persoonlijk contact met het Goddelijke dat deze wereld doordrenkt, kunnen een unieke nieuwe invalshoek worden. Ze kunnen een nieuwe bril worden waardoorheen we de teksten van de profeten juist op een heel eigenzinnige en daardoor heel interessante manier lezen.

Sowieso is het heel belangrijk dat we steeds proberen bewust te blijven van de manier waarop onze persoonlijke contexten onze lezing kleuren. We moeten niet proberen om een zogenaamd neutraal standpunt in te nemen. Dat kunnen we niet en zelfs als we het zouden kunnen, dan zou het ons niets vooruit helpen. Juist onze eigen persoonlijke invalshoeken kunnen de tekst opnieuw profetische waarde geven in onze eigentijdse wereld. Maar het blijft belangrijk om ons van die eigen contexten bewust te blijven.

De beste manier om onze eigentijdse contexten, zowel de brede sociaal-politieke contexten van onze maatschappij als de persoonlijke contexten van onze eigen ervaringen met onze eigen levens en onze eigen lichamen, bewust te betrekken bij onze lezing van die profetische teksten, is het lezen als collectief. Wanneer we samen met kameraden, met lot- en strijdgenoten deze teksten proberen te begrijpen, dan vullen onze verschillende persoonlijke invalshoeken mekaar aan. Dat kan ons alleen maar helpen om de mogelijke valkuilen te vermijden en om bepaalde accenten en details, die wij als individu misschien zouden missen.

Een hedendaagse bevrijdende lezing van Bijbel en Koran gebeurt dus best van al in groep. Dat is de reden waarom we overal leerhuizen en leesgroepen zouden moeten organiseren. Groepen waar we met vijf à tien mensen samen, vanuit verschillende invalshoeken, achtergronden en contexten, samen proberen om te begrijpen op welke manier de oeroude teksten vandaag voor ons weer relevant kunnen worden.

Waarom zoveel heisa over deze oeroude teksten?

Tja, waarom zouden we ons nog bezighouden met het lezen en interpreteren van teksten die meer dan tweeduizend jaar oud zijn? Wat is de relevantie van die teksten nog voor onze levens vandaag? Is het niet beter om op zoek te gaan naar meer hedendaagse teksten die misschien ook een licht kunnen schijnen op onze levens en onze levensvragen van vandaag?

Eerst en vooral zijn deze teksten gewoon mooi en daarom op zich reeds de moeite waard om gelezen te worden. Ze zijn een belangrijk deel van onze literaire erfenis. Op zich is het eigenlijk al een mirakel dat onze diersoort niet alleen een taal ontwikkelde om over de wereld te spreken, maar ook manieren bedacht heeft om dat spreken gedurende meer dan duizend jaar te bewaren. Dat mirakel levert ons schoonheid op uit een tijd die al lang vervlogen is. Alleen al omwille van dat mirakel zijn ook de profetische oude teksten meer dan de moeite waard om opnieuw bezocht te worden.

Maar de profetische teksten uit Bijbel en Koran zijn niet alleen daarom interessant. Zoals we hierboven al zagen, waren de profeten in staat om niet alleen de toevallige gebeurtenissen aan de oppervlakte van de geschiedenis te zien en te beschrijven. Ze keken ook naar de onderliggende evoluties en dynamieken en probeerden deze voor hun lezers bloot te leggen. Zo wilden ze hun lezers trainen om zelf ook dieper te kijken en in hun eigen wereld ook de onderliggende maatschappelijke en politieke bewegingen te zien, waar de historische gebeurtenissen uit hun eigen tijd de oppervlakkige verschijningsvormen van zijn.

Anders dan de meeste andere religieuze leiders en leraars, hebben de profeten in de Bijbel en de Koran niet alleen over de spirituele kant van de wereld. Of beter gezegd, die profeten toonden dat spiritualiteit steeds een dimensie is van het echte, materiële leven in een echte, materiële wereld. Daar waar veel verlichte goeroes dweperig en zweverig preken over allerlei magische vormen van spiritualiteit en over allerlei spectaculaire vormen van verlichting, spreken de profeten over de dagdagelijkse spiritualiteit van water en brood, van honger en dorst. Deze profeten spreken over de spiritualiteit van de onderdrukten, die niets anders kan zijn dan een spiritualiteit van de bevrijding. Zij staan met beide voeten in de materiële werkelijkheid en spreken dan ook over een materiële bevrijding die alleen het gevolg kan zijn van een materiële praxis.

Het valt me soms op dat de meeste religieuze leiders uit de geschiedenis van de mensheid afkomstig waren uit de heersende klassen. De meesten van hen waren mannen van adel, die opgroeiden in de veilige luxe van een paleis. Zij hadden het privilege dat anderen werkten om hen van eten en drinken te voorzien. Zij behoorden tot de klasse van de mensen die gediend werden. Zij behoorden tot de elite van slavenhouders in een wereld waar de meeste andere mensen tot slaaf gemaakt waren. Vanuit die geprivilegieerde positie leerden zij hun volgelingen over een spiritualiteit die los stond van de materiële zorgen in de materiële wereld. Ze leerden over hoge idealen, maar spraken niet over honger en armoede. Ze leerden over persoonlijke verlichting, maar zwegen over de duisternis van de onderdrukking die de meeste mensen gedwongen moesten ondergaan.

De profeten uit de Bijbel en de Koran kwamen daarentegen meestal uit de uitgebuite klassen. Zij waren geboren in gezinnen van werkende mensen en kenden de paleizen van de heersers meestal alleen uit de verhalen. Ze waren herders, landbouwers of arbeiders die van het werk van hun eigen handen moesten overleven. Zij hadden niemand die hen diende, niemand die in hun plaats werkte om hen voedsel en drank te verschaffen. Het feit dat zij dit harde leven aan de onderkant van de sociale piramide door en door kende, maakte hen tot de profeten van deze Ene, Opstandige God van de Bevrijding.

De Bijbel en de Koran vertellen ons ook hoe een aantal profeten niet alleen afkomstig waren uit de meest onderdrukte en uitgebuite lagen van de bevolking, maar ook door wonderlijk toeval ineens zelf konden binnendringen in de laag van de heersers. Mozes was, dat zagen we al, een kind uit het slavenvolk, maar werd in de familie van de Farao geadopteerd. Ook Daniel was uit de uitgebuite lagen van de bevolking afkomstig, maar werd aan het hof van de Babylonische heerser Nebukadnezar aangenomen als droomuitlegger, zeg maar als psychotherapeut avant la lettre van de koning. Mohammed was ook opgegroeid in armoede, maar was na zijn huwelijk met Khadija doorgedrongen tot de rijkere klasse in Mekka. Het feit dat al die profeten zowel de uitgebuite en onderdrukte onderkant als de uitbuitende en onderdrukkende bovenkant van de maatschappij hadden leren kennen, gaf hun analyse en hun boodschap nog een extra diepgang.

De profeten uit de Bijbel en de Koran zijn dan ook unieke stemmen die ons kunnen leren over een spiritualiteit die niet spectaculair zweverig is, maar juist heel materialistisch en aards. Net daarom is hun boodschap ook vandaag nog relevant. Ook vandaag hebben we nood aan dat soort materiële spiritualiteit van de onderkant van de samenleving, een spiritualiteit van de onderdrukten en de uitgebuiten, maar ook een spiritualiteit van de hoop op bevrijding en van de strijd voor een betere wereld.

Wanneer we inzien hoe deze profeten vele eeuwen geleden reeds deze spirituele boodschap wilden doorgeven, een boodschap die vandaag nog steeds even relevant en noodzakelijk is, dan kan dat voor ons een verademing zijn. Dit soort spiritualiteit, dit soort godsdienst kan zuurstof zijn voor onze eigen strijd, voor ons eigen verzet tegen onrecht en onderdrukking. Het is een tegengif tegen de verdovende opium die vele andere vormen van religie vaak zijn.

Merken dat deze spiritualiteit van de bevrijding ook al duizenden jaren bestaat, helpt ons om in te zien dat ook onze eigen strijd, ons eigen verzet tegen onrecht in deze wereld en onze eigen inzet voor een nieuwe, rechtvaardige wereld, passen in een traditie die eeuwenoud is. Sinds er klassen bestaan, sinds er heersers en overheersten bestaan, is er een beweging van verzet die streeft naar bevrijding. Sinds die tijd heeft de Ene, God van de Eenheid en de Solidariteit, zich resoluut opgesteld aan de kant van de strijdende onderdrukte massa’s. Wanneer we de woorden van de profeten van vele eeuwen geleden lezen, merken we dat onze inzet onlosmakelijk verbonden is met deze eeuwenoude bevrijdende beweging. Wij zijn een schakel in deze oeroude ketting van rebellen en revolutionairen. Onze spiritualiteit is een deel van de spiritualiteit van de onderdrukten en de uitgebuiten doorheen de eeuwen. Onze inzet, onze godsdienstige praxis, onze strijd voor rechtvaardigheid, is een deel van een eeuwenoude strijd die sinds tientallen generaties bestaat. Onze God, de God die wij dienen, staat al sinds millennia aan de kant van de gemarginaliseerden, arm gemaakten en opgejaagden.

Dat besef van verbondenheid met de oeroude traditie van bevrijding en verzet, is op zichzelf ook al een meer dan voldoende goede reden om deze teksten te lezen. Weten dat wij een deel zijn van een beweging die veel groter is dan onze eigen kleine levens, kan ons helpen om de zin van onze strijd te leren inzien.

Maar er zijn nog belangrijke redenen om deze teksten te bestuderen. Ze worden namelijk vandaag de dag (zoals ook in het verleden telkens weer gebeurde) misbruikt om de belangen van heersers en onderdrukkers te dienen. We kunnen bijvoorbeeld terugdenken aan het citaat uit Jesaja dat we daarnet hebben onderzocht. Dat is slechts één van de vele bevrijdende citaten uit Bijbel en Koran die uit hun context worden gehaald en gebruikt om een onderdrukkende ideologie mee te ondersteunen.

Fundamentalistische Joden, Christenen en Moslims en zelfs hun fundamentalistische seculiere nazaten, misbruiken de profetische teksten bijvoorbeeld om hun onderdrukking van anders-denkenden en anders-gelovenden mee goed te praten. De hoop van de profeten op een nieuwe en rechtvaardige samenleving, gesymboliseerd in het visioen over het Nieuwe Jeruzalem en het Nieuwe Israël wordt nu door de Zionistische koloniale Staat misbruikt om hun onderdrukking van de oorspronkelijke Palestijnse bevolking goed te praten.

Ook de heersers vandaag hebben, net als zoveel eeuwen geleden, goed betaalde paleisgeleerden en theologen van de macht die hun belangen voorzien van een paar religieuze slogans. Ook zij lezen de Bijbel of de Koran en proberen daar slogans in te vinden om de heerschappij van hun meesters goed te praten. Net als alle andere ideologen van de macht, beseffen zij dat het voor hun belangen noodzakelijk is om een rechtse, autoritaire ideologie te verspreiden. Daarvoor moeten mensen dom, bijgelovig en angstig worden gemaakt.

Ze moeten leren dat hun heersers de beste heersers aller tijden zijn en dat de vijanden van hun heersers ook hun eigen vijanden zijn. Ze moeten nationalistischer worden en mensen uit andere culturen en tradities leren wantrouwen. Ze moeten ook leren geloven dat ze superieur zijn aan mensen met een andere huidskleur of dat mannen van nature bestemd zijn om vrouwen en andere genders te domineren. Ze moeten leren dat het nodig is om “normaal” te doen en dat al wie van die norm afwijkt misdadig en ziek is. Voor al die leugens die de onderdrukte mensen als waarheid moeten leren zien, kan men wel ergens een vers uit Bijbel of Koran vinden dat, als het los van zijn context wordt gelezen, dat ze bevestigt.

Juist daarom moeten wij rebellen vandaag opnieuw leren om deze oeroude profetische teksten opnieuw te lezen. Juist daarom moeten wij wel proberen om zo letterlijk mogelijk de woorden van de profeten te leren kennen en om ze te leren zien in de contexten waarin ze ontstonden. Juist daarom moeten wij zelf leren hoe de profeten de onderliggende structuren en dynamieken van onderdrukking en uitbuiting onderscheidden die de gebeurtenissen aan de oppervlakte van de geschiedenis bepaalden. Juist daarom moeten wij deze teksten lezen, om ze uit de handen van de heersers te bevrijden en ze opnieuw tot profetische inspiratie te maken van de onderdrukten die vandaag in deze wereld dromen van gerechtigheid en vrede en zich inzetten voor solidariteit en bevrijding.

Het Geloof dat ons Geloof ons kan redden

De hemel hangt af van wat je doet. Geloof zonder werken is dood, dat schreef Jakob, de broer van Jezus reeds. Dat is de kern van iedere religieuze tak die uit de boom van de godsdienst van Abraham is gegroeid. Het feit dat veel Christelijke kerken vandaag de nadruk leggen op wat je gelooft, heeft volgens mij een heel complexe oorzaak.

Eerst en vooral is er een vertaalfout. Het werkwoord אמן (aman) in het Hebreeuws (en in het Aramees en het Arabisch) betekent “vertrouwen”, “ondersteunen”, “bevestigen” maar dat werd in het Grieks van de septuagint vertaald als πιστεύω (pisteiou), wat “geloven dat iets waar is” betekent.

Wanneer de door en door joodse rabbijn Saul van Tarsus (die zichzelf later “Paulus”, de kleine, ging noemen) dus beweerde dat vertrouwen (op het Goddelijke) de basis is van de godsdienst, vertaalde ook hij dat in het Grieks als “λογιζόμεθα γὰρ δικαιοῦσθαι πιστει ἄνθρωπον χωρὶς ἔργων νόμου” (“ik heb gezegd dat een mens bevrijd wordt door zijn geloof, niet door zijn werken” – Rom. 3:28). Hij beweerde daarbij niet dat het al dan niet geloven van bepaalde stellingen (dogma’s) een mens zou redden, maar eerder dat het de instelling is waarmee men werken (ἔργων) verricht die de doorslag geeft. Dat komt ongeveer op hetzelfde neer als de beroepde hadith van de profeet Mohammed (vrede zij met hem) “إِنَّمَا الْأَعْمَالُ بِالنِّيَّةِ” (daden worden volgens de intentie beoordeeld).

Maar we waren dus bij Saul van Tarsus, een vrome rabbijn die zijn Tenach (de Joodse Bijbel, Christenen noemen die al wel eens denigrerend “het Oude Testament”) goed kende en die bij zijn uitspraak over vertrouwen en goede werken duidelijk refereerde naar het bijbelboek Habakuk (2:4). In die tekst spreekt Habakuk over een visioen van JHVH over het einde der tijden. In het voorgaande hoofdstuk voorspelde JHVH dat het volk Israël zou gestraft worden omdat ze niet rechtvaardig leefden. Ze zouden door het imperialistische Babylon veroverd en gecoloniseerd worden. Wanneer Habakuk aan zijn God vraagt hoe het kan dat de Israëlieten voor hun zonden gestraft zullen worden met de komst van een nog zondiger volk, toont JHVH dat visioen over de eindtijd.

Er zal namelijk, zo zegt JHVH, een tijd komen dat de rechtvaardigen de aarde zullen erven. Wie niet rechtvaardig is, zo zegt JHVH, zal wegkwijnen. Wie wel rechtvaardig is zullen leven door hun vertrouwen (בּאמונתו יחיה). Daarna gaat de tekst verder en beschrijft de roofzucht van de onrechtvaardige die symbool staat voor het imperialistische Babylon. Die onrechtvaardige zal door iedereen bespot en uitgelachen worden. Iedereen zal weten wat zijn misdaden zijn en hem ervoor aanklagen. Het is in die context dat we het door Paulus geciteerde fragment uit Habakuk moeten lezen. De onrechtvaardigen leven door hun hebzucht en hun machtsmisbruik, door het najagen van hun eigen egoïstische verlangens. De rechtvaardigen leven doordat ze vertrouwen hebben.

Paulus herhaalde  dus alleen wat zoveel Joodse profeten en rabbijnen voor hem hadden gezegd: De kern van een religieus leven is de praxis, de daden, maar die daden worden door het Goddelijke beoordeeld naar de intentie die erachter zit.

Het is overigens belangrijk om hier op te merken dat we Paulus niet kennen vanuit systematische theologische boeken of traktaten, maar vanuit brieven. Hij schreef brieven naar gemeenten van mensen die hij persoonlijk kende. Het is heel erg de vraag of het zijn bedoeling was dat die brieven ooit in de christelijke bijbelcollectie hetzelfde statuut zouden krijgen als de bijbelboeken die hij zelf kende. Ik persoonljk zou bijvoorbeeld liever niet hebben dat mensen mij leren kennen doorheen de brieven en mails die ik naar persoonlijke kennissen verstuur. Ik zou het al helemaal een gruwel vinden als men lukraak gekozen fragmentjes uit die brieven en mails, los van iedere mogelijke context, zou gaan gebruiken om er een hele theologie op te gaan bouwen.

Bon, soit, paturain. Tot daar Paulus.

De volgende stap in het ontstaan van de misvatting waar veel christelijke kerken nu belijden, vinden we bij Augustinus. Die was geen Jood, maar een Romeinse heiden voor hij Christen werd. Hij was niet bekend met de Joodse traditie, met het vraagstuk over de verhouding tussen daden en intentie zoals dat doorheen de Tenakh en de rabbijnse traditie wordt gesteld. Hij nam de Griekse tekst van Paulus letterlijk en maakte er op zich een dogma van. Hij was het die op de proppen kwam met het verhaal over een God die de wereld dan wel volmaakt had geschapen, maar die niet had kunnen voorkomen dat door de zogenaamde zondeval het kwaad in de wereld kwam en dat die zondeval bovendien zo erg was dat wij allemaal, zoveel generaties na het eerste mensenpaar, nog steeds besmet waren met een zogenaamde erfzonde. Hij interpreteerde Paulus op een zodanig verkrampte, heidense en on-Joodse manier dat hij tot de conclusie kwam dat de zonde van het eerste mensenpaar, de erfzonde, zo erg was dat God nooit in staat zou zijn om deze te vergeven, zeker niet op basis van onze eigen goede werken alleen. Hij verzon het door en door heidense idee dat God, de almachtige, om te kunnen vergeven een verschrikkelijk bloed-offer nodig had. Geïnspireerd door de tientallen heidense verhalen over geofferde (kinderen van) goden, verzon hij het idee dat Jezus (vrede zij met hem) de eniggeboren “zoon van God” was en dat God hem naar de wereld had gestuurd om hier gevangen, gefolterd en vermoord te worden, “zodat zijn bloed de mensheid kon redden van de erfzonde.” Iedere goede Jood, Jezus en Paulus zeker, zou raar opgekeken hebben bij dat soort heidense verhaaltjes, maar dit werd wel de basis van het Latijnse Christendom. Wie dit sprookje geloofde (wie dus geloofde in een heidense God die een biologische zoon had en die zo machteloos stond nadat mensen één vrucht in de tuin hadden gegeten, dat hij wel moest overgaan tot het gruwelijke gedoe dat tot de bloedige moord op zijn zoon zou leiden) die zou gered worden, wie dat niet geloofde zou, om het even hoeveel goede werken die ook deed, voor eeuwig verdoemd zijn. Vanaf augustinus, die als één van de belangrijkste latijnse kerkvaders wordt beschouwd, was dit het belangrijkste dogma van de latijnse kerk.

Toch bleef de kerk in de praktijk de nadruk leggen op het doen van goede werken. De Romeinse Katholieke Christelijke Kerk was namelijk een staatsgodsdienst van een grote imperialistische staat geworden. Voor zo’n staatsgodsdienst maakt het in feite niet echt veel uit wat mensen precies geloven, maar wel wat ze doen (en nog meer wat ze niet doen) en juist daar speelde dit nieuwe dogma een schitterende rol. Het maakte de mensen namelijk wijs dat hun daden (de heel bijbelse daad van het in opstand komen tegen onderdrukkende heersers bijvoorbeeld) nergens toe konden leiden en dat ze vooal moesten geloven in de steeds verder uitbreidende collectie van dogma’s van de Heilige Katholieke Kerk.

Bon, soit, camembert. Tot daar Augustinus en zijn tijdgenoten.

In de middeleeuwen bleef de Katholieke Kerk een machtsinstrument in handen van de heersende koningen, baronnen, graven, hertogen en ander adelijk heersersgespuis. Zij konden die kerk en haar dogma’s gericht gebruiken om alle mogelijke tegenbewegingen die hun macht contesteerden, aan te vallen en te vernietigen. We kunnen bijvoorbeeld denken aan de Katharen, de Bogomielen, de Arianen, de Nestorianen… die allemaal een vorm van christendom beleden dat niet conform de Romeinse regels was. De bedreiging van die groepen ging uit van hun rebelse praxis, maar ze werden door het instituut van de kerk bestreden omwille van zogenaamd ketterse opvattingen, het geloven van zogenaamd verkeerde stellingen.

Toch legde ook de middeleeuwse Romeinse Kerk in de praktrijk steeds meer nadruk op het ontwikkelen van een juiste praxis. Officieel verkondigden ze dan wel dat het enkel het geloof in hun dogma’s was dat mensen zou redden, in de praktijk moest een Christen volgens hen, om gered te kunnen worden, ook biechten, naar de mis gaan, bedevaarten ondernemen… tal van rituele praktijken werden uitgevonden als extra voorwaarde om gered te worden. Elk van die praktijken had, samen met het geloof in dogma’s, het gevolg dat Christenen op steeds meer domeinen van het dagelijks leven gehoorzaam moesten zijn aan de kerkelijke heersers: de paus en zijn bisschoppen en kardinalen.

Bon, soit, boursin. Tot daar de middeleeuwse ontwikkelingen in dit drama.

Tegen deze middeleeuwse Kerk die niet alleen geloof in tal van dogma’s eiste, maar ook het gehoorzaam meehuppelen in tal van rituelen, kwam de Augustijner droogstoppel theoloog Martin Luther in opstand. Hij contesteerde de macht van de Romeinse theologen door te eisen dat de leer van de Kerk zich alleen op de Bijbel mocht inspireren, niet op de commentaren en bedenkingen van vijftien eeuwen vol theologen (“Sola Scriptura“, alleen de Bijbel). Op basis van die Bijbel (ttz. op basis van een enge en heidense Augustijnse visie op Paulus, zoals ik hierboven al schetste) kwam hij ook tot de conclusie dat al dat rituele gehuppel nergens toe leidde. Hij geloofde dat alleen het geloof in de barmhartigheid van God een mens kon redden. (“Sola Fide” alleen het geloof, “Sola Gratia“, alleen de Goddelijke genade). Hij benadrukte de Augustijnse heidense stelling dat het alleen door de bloedige moord op Jezus (door het zogenaamde “offer van Christus”) was dat de zogenaamde erfzonde vergeven kon worden (“Sola Christe”, alleen Christus).

Deze nieuwe geradicaliseerde vorm van de Augustijnse heidense interpretatie van Paulus kon samengevat worden in de slogan “Sola Dei Gloria”, alleen de Heerlijkheid van God. Menselijke bevrijding was niet langer (zoals alle joodse profeten en rabbijnen, Jezus en Paulus inbegrepen) steeds opnieuw hadden geleerd, een gevolg van menselijke praxis, van het materieel ingrijpen van mensen (weliswaar door God geïnspireerd) in de menselijke geschiedenis. Mensen mochten alleen nog hopen op een heidense deus ex machina die hen, volledig los van hun eigen optreden in de wereld, zou komen helpen als ze maar hard genoeg geloofden.

Aangezien de Katholieke Kerk begreep dat de nieuwe beweging rond Luther één van de grootste bedreigingen van haar macht was geworden, zette ze zelf een theologische tegenaanval in. Ze organiseerde een concilie bij Trente waar de officiële katholieke leer nog eens goed werd uiteengezet en verfijnd. Volgens het Concilie van Trente waren de daden inderdaad ondergeschikt aan het geloof van de mensen, maar wie goed genoeg geloofde zou vanzelf goede werken gaan doen (in de betekenis van braaf gehoorzaam meehuppelen tijdens de rituelen). volgens de Katholieke leer was het ook inderdaad door de gratie van God en het zogenaamde offer van zijn zogenaamde zoon Jezus dat de mensen gered werden, maar die gratie was in de wereld alleen werkzaam doorheen de enige echte Katholieke Kerk. Die Katholieke Kerk bevestigde zelf dat alleen de Bijbel het doorslaggevend element mocht zijn in het bepalen van de Christelijke leer, maar tegelijk was dit document zo heilig dat het alleen door professionele theologen mocht gelezen worden. Leken moesten het onrechtstreeks lezen doorheen de commentaren van Katholieke intellectuelen.

Bon, soit, edammer. Tot daar de reformatie en haar nasleep.

Vandaag de dag zijn nog steeds heel veel christenen overtuigd van deze vrij heidense interpretatie van de ideeën van de Joodse profeet Jezus en de Joodse rabbijn Paulus. Ze lezen de Tenach exclusief door een Augustijns heidense bril en beschouwen heel die bibliotheek vol onrustwekkende, opstandige, Joodse boeken als een verzameling zogenaamde voorspellingen van de komst van de zogenaamde enige Zoon van God. Ze geloven dat ze moeten geloven en dat dat het enige is wat telt. Ze geloven dat hun praxis, hun materieel optreden in de materiële wereld, geen enkel belang heeft. Ze beweren dat ze de God van jezus en de profeten dienen, terwijl ze met hun praxisloze geloof alleen de heersers en hun status quo dienen en gehoorzamen.

Maar dit is niet de enige vorm van Christendom die momenteel bestaat. In iedere generatie zijn steeds opnieuw honderden, duizenden, miljoenen christenen opgestaan tegen de heersers en hun afgoderij. Zij ontdekten de revolutionaire kern van het evangelie, de oproep tot een rebelse en bevrijdend praxis.

Of het nu de boeren rond Thomas Muntzer waren of de Bekennende Kirche van Bonhoeffer, of het nu de politieke theologie van Dorothee Sölle was of de bevrijdingstheologie van Boff en Gutierrez… steeds opnieuw vinden Christenen de weg terug naar de oorspronkelijke rebelse en door en door joodse kern van de godsdienst van Jezus en Paulus. Gelijk hoezeer de heidense heersers hun best doen om God het zwijgen op te leggen en godsdienst te veranderen in gehoorzaam geloven, de God van Abraham, Isaak en Jakob, de God van Mozes en Elia, de God van Jesaja en Jeremia, de God van Johannes, Jezus en Mohammed zal in iedere generatie, telkens opnieuw, mensen inspireren om op te staan, om in opstand te komen tegen de heersers en hun Baäls, Mammons en Molochs.

Het opstaan, het doen van gerechtigheid, het in de praktijk brengen van de Thora, is de kern van die godsdienst. Juist daarom willen de heidense heersers ons steeds opnieuw doen geloven dat we alleen maar moeten geloven. Hun geloof in het geloof is een opium dat de onderdrukte bevolking in slaap wiegt. God’s weg is die van de praxis, van de “goede daden”, van de materiële opstand tegen heerschappij. Die godsdienst is geen opium, maar voedsel en zuurstof die onze strijd voor onze bevrijding keer op keer weer kracht geeft.